Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

230

gevoelt, zou de Regeering dan daaraan niet, in het belang van de zaak, met een subsidie te hulp komen? In het belang van de zaak in het algemeen. Ook na uitvaardiging der verwachte wet, zal het altijd wenschelijk blijven, dat nevens de overheidsscholen, ook partikuliere instellingen oprijzen, en wat mij betreft, hoe meer hoe liever. Is het nu niet voor de taak der Regeering zelve nuttig, dat eene proef genomen worde, die, voor hetgeen de wet otis zal moeten schenken, op een of meer punten reeds den weg bane? Ik geef dit aan den Minister in overleg. Hetgeen ik verlang zou niet alleen strekken om te voorzien in eene lokale behoefte, maar om de juiste vervulling van eene algemeene behoefte voor te bereiden. Ik behoef niet te zeggen, dat een publiek subsidie noodig is om aan zoodanige partikuliere instelling, althans in den beginne, genoegzamen grond te geven, dat zij op een blijvend bestaan kunne rekenen.

III. Een woord nog over het hooger onderwijs. De wijze waarop onderscheidene punten, daartoe betrekkelijk, en ten deele door vorige sprekers reeds aangeroerd, zich hier aan ons voordoen, acht ik lastig, verkeerd en met het groot belang der zaak weinig overeenkomstig. Zooals die punten zich hier aan ons aanbieden, ontaarden zij in persoonlijke kwestien. Dat was reeds verleden jaar het geval. Het is, dunkt mij, de taak van de Kamer geenszins in de benoeming of wenschen van bepaalde professoren te treden.

In onderscheidene opzichten meen ik ook hier, bij de uitbreiding van personeel en andere middelen, een toegeven te vinden aan allerlei persoonlijken en plaatselijken aandrang, zonder eenheid van plan, die er nog niet zijn kan.

Vermeerdering van middelen bij het hooger onderwijs — eene lange ondervinding heeft het mij steeds geleerd en ieder kan het nagaan — heeft doorgaans vermindering van persoonlijke inspanning ten gevolge. Ik wil nu niet spreken van de groote geleerden van vorige tijden, die de wetenschappen, zonder hetgeen men thans middelen noemt, uitgebreid hebben. Ik verzoek slechts dat men zich de levensgeschiedenis van sommige onzer meest beroemde tijdgenooten herinnere, op het gebied van die wetenschappen, waarbij het meest van middelen sprake is, de natuurkundige wetenschappen. Wanneer hebben die mannen het meest voor de wetenschap, wanneer het meest voor het onderwijs uitgericht? In de jaren, waarin de middelen, over welke zij konden beschikken, nog zeer matig waren. Men heeft hen in paleizen geplaatst en een schat van diensten tot beschikking gesteld; en wat zij na dien tijd in tien jaren hebben verricht, is soms niet zooveel als hetgeen zij vroeger in één jaar tot stand brachten. Dit is, geloof ik, eene tamelijk algemeene ondervinding, die een Minister, met de zorg voor het onderwijs belast, wel in het oog mag houden.

Het is ook hier waar: wanneer op iemand veel aankomt, en hij

Sluiten