Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is de rechte uuui, dan kan hij wonderen doen; maar geef hem veel hulp, en van zeil' zal hij veel laten aankomen op anderen.

Over de zoogenaamde „splitsing" in het bijzonder zal ik niet spreken. Eene oneigenlijke benaming; want wij hebben hier te lande reglementair geene professoraten van bepaalde vakken, van vaderlandsche geschiedenis, van taal of dergelijke, wij hebben enkel faculteitsprofessoren.

Ik wil slechts dit zeggen, dat, mijns inziens, bij onze akademien niet de onderscheidene deelen der geschiedenis niet één professor alleen kan belast zijn. Dat er meer zijn, is nuttig en noodig; de geschiedenis is van veel te grooten omvang. Aan de andere zijde ken ik ten minste geen voorbeeld, dat, bij eenige buitenlandsehe akademie een professoraat gesticht is alléén voor de geschiedenis van het land. Ik geloof ook dat het docentschap in de vaderlandsche historie in verband moet blijven met het onderwijs in andere takken der geschiedenis. Is het dus ergens noodig, een professor voor de geschiedenis meer te hebben, dan tot dusver, ik zal dat gaarne bevorderen. Maaide vraag kan eerst zuiver worden gesteld, wanneer men een plan van organisatie voor oogen heeft. Mijns inziens is hetgeen men vóór dien tijd doet, zoo het niet door eene oogenblikkelijke dringende noodzakelijkheid geboden wordt, ontijdig.

Ik sluit met ééne opmerking, ten aanzien van de organisatie van de hoogescholen in het algemeen.

Sedert eene reeks van jaren heeft men in andere landen bij die organisatie het voorbeeld gevolgd van eenige weinige universiteiten, niet eene groote weelde in hoofdsteden opgericht. Men gevoelt daar, geloof ik, reeds dat men niet goed deed zich naar dat voorbeeld te richten, en ik wensch dat wij, wanneer wij zullen geroepen worden om een plan van organisatie te beoordeelen en te vestigen, ons niet zullen laten afleiden door hoofdsteedsche praal, maar ons aan de bescheiden maat van wezenlijke universiteitsbehoefte zullen houden.

(i December. Hoofdstuk vi der staatsbegrooting (Departement voor •Ie zaken van den hervormden eeredieust). Algemeene beraadslaging. Men had op afschaffing van het collatiereeht aangedrongen. De minister wilde er evenwel niet van weten.

I)e Minister heeft zijn departement, wat de duurzaamheid betreft, op ééne lijn gesteld met departementen van weerbaarheid, van Marino en van Oorlog. Het komt mij voor, dat in den laatsten tijd de vastheid van dat departement in de ministerieele logica zeer is toegenomen. Ik herinner mij, nog voor eenige jaren van voorgangers van den Minister aan de groene tafel de verklaring te hebben gehoord, dat zij er zaten om hun departement langzamerhand overbodig te maken. Deze Minister daarentegen schijnt mij toe zijn departement niet liet bestaan van de kerkgenootschappen te vereenzelvigen.

Sluiten