Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik ga liet punt voorbij dat de Minister in het laatste gedeelte zijner mie lieert aangeroerd, het toezicht op het bestuur der goederen, schoon ik de reden van het onderscheid, dat de Minister tusschen de verschillende kerkgenootschappen meende te moeten maken, niet kon vatten. Indien dat toezicht van Staatswege gegrond is hetzij op een belang van den Staat, hetzij op een belang van de Kerk, of op beide, altijd, Mijnheer de Voorzitter, moet dat toezicht gelijk en algemeen zijn. Dezelfde gronden moeten, dunkt mij, ten aanzien van de onderscheidene kerkgenootschappen dezelfde gevolgen hebben. De Minister sprak ons van de zelfstandigheid der individuen in de 1'rotestansche, in tegenstelling van andere kerkgenootschappen. Ik begrijp niet wat de zelfstandigheid der individuen gemeen heeft met het bestuur van de goederen eener gemeente. Dat is toch het punt, waarop het aankomt. Ik zeg gemeente, niet kerkgenootschap, daar dit als eenheid in den regel geen goederen bezit.

Hetgeen mij bewoog op te staan en het woord voor een oogenblik te vragen, is het vertoog van den Minister over het collatierecht. Met groote bevreemding hoorde ik den Minister, als reden dat het collatierecht op goeden grond berust en niet wel kan worden afgeschaft, bijbrengen, dat het tegen stoffelijke voordeelen was verkregen.

Ik geloof, Mijnheer de Voorzitter, dat de wijze van verkrijging, in zeer vele gevallen, tegenwoordig moeilijk bewijsbaar zou zijn. Maar men neme aan dat ten aanzien van elk collatierecht de stoffelijke voordeelen, in ruil waarvan het volgens den Minister verkregen is, bewijsbaar zijn, kan dat bij onze tegenwoordige rechtsbegrippen, in den tegenwoordigen toestand van onze wetgeving een grond wezen om het collatierecht te rangschikken onder de zaken in den handel? Stel, Mijnheer de Voorzitter, de kerk die daar staat, die tot openbare godsdienstoefening eener gemeente dient, ware eigendom van een partikulier persoon, die zich vroeger het recht om den predikant aan te stellen, had voorbehouden, zullen wij dan tegenwoordig kunnen zeggen, dat gelijk die kerk is partikulier eigendom, ook dat recht van aanstelling onder de rechten van partikulieren eigendom mag worden geteld? Al wat van moreel en juridiek begrip in mij is, verzet zich tegen dergelijke theorie.

Ik wil thans niet spreken van de collatierechten van partikulieren. Ik ben genegen te gelooven dat, wanneer men, hetgeen ik alleszins zou wenschen, de afschaffiing dier rechten bij de wet wilde voorbereiden en tot stand brengen, een onderzoek over hunne verschillende natuur en betrekking zal behooren vooraf te gaan. Doch dit geldt hoegenaamd niet ten aanzien van de domaniale collatierechten.

Het is eene vraag, die ik aan een voormalig ambtgenoot, thans niet meer onder de levenden, verscheidene jaren geleden met dat departement belast, meermalen heb voorgelegd. Waarom behoudt de Staat of het domein zijne collatierechten? Het antwoord kwam hierop

Sluiten