Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Verder zal zich de Minister bij de verklaring bepalen, «lat hij, met het oog op zijne verantwoordelijkheid, nimmer zal kunnen medewerken om iets in het leven te roepen, dat naar zijne overtuiging in volkomen strijd is met eene behoorlijke regeling der landsverdediging, en ook door de Grondwet niet wordt voorgeschrevenHetgeen door de Grondwet niet wordt voorgeschreven, is daarom nog niet met de Grondwet in strijd. Maar, zegt de Minister, het is in strijd met eene behoorlijke regeling der landsverdediging. Waarom? Ik verlang zeer naar opheldering, welke de Minister wel zal gelieven te geven, lot dusverre vat ik niet, waarom, wanneer de Minister ons in zijne Memorie van Antwoord een plan van organisatie mededeelt , de grondtrekken van zoodanige organisatie niet zouden kunnen worden opgenomen in eene wet.

Kn nu, Mijnheer de President, welke was de hoofdoorzaak, waarom men in deze Kamer aan eene organisatie bij de wet, zoodra zij ter sprake was gebracht, met zooveel nadruk heeft gehecht? Was het omdat men meende dat door die organisatie aan alle verschil van denkwijze voor goed een einde zou worden gemaakt, of dat zoodanig Plan> bij de wet vastgesteld, in alle bijzonderheden, voor een geruimen tijd althans, de zaak zou atdoen? Ik geloof niet dat men zich dit heeft voorgesteld. De eenvoudige en goedereden, die, naar mij voorkomt, nog altijd eene goede reden is, was deze. Men wilde niet partieele regeling, maar grondslagen voor het geheel. De jaarlijksche begrooting, meende men, moet op een plan van organisatie rusten, maar kan niet zelve dat plan zijn. Bij het groote verschil van denkwijze, dat tusschen de Kamer en den Minister over deze onderwerpen heerschte, wilde men hunne behandeling niet ieder jaar incidenteel bij het Xde hoofdstuk, — het 10de in volgorde, bijkans het laatste — laten afloopen. Men wilde de verschillende vragen, de weerbaarheid van ons land betreffende, eens opzettelijk, met al de zorg die zij verdienen, nagaan. Welke dan ook de wettelijke uitkomsten mochten zijn van zoodanige overweging van een plan van legerorganisatie, ik dacht en vele leden, geloof ik, dachten met mij, altijd zal die overweging gunstig werken voor de vaststelling der jaarlijksche begrooting. Kik bestuur van Oorlog zal eene zekere reden aannemen bijv. tusschen de kaders, de vrijwilligers daarin begrepen, en de militie; tusschen de verschillende wapensoorten; tusschen de levende strijdkrachten en het te verdedigen terrein, met betrekking ook tot de vestingen ol defensiewerken, welke men aan te houden of te stichten zal hebben. Welnu, behooren zulke hoofdpunten voor den gewonen toestand, voor den voet van vrede, niet boven en ten behoeve van elke jaarlijksche begrooting tot klaarheid te zijn gebracht en vast te staan?

Ik kome nog eens op de Grondwet terug. Geen rechtstreeksch voorschrift van eene organisatie van het leger bij de wet; — de Grondwet noemt het woord leger niet; — maar wel het gebod in

Sluiten