Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezield. Ik verblijde mij dat de Grondwet zóó menige wet gebiedt, welker doel niet is verplichtingen van de ingezetenen te regelen, maar regels voor te schrijven aan de uitvoerende macht. Het onderwerp zelf van onze tegenwoordige beraadslaging is daarvan een helder, luisterrijk voorbeeld. Wat heeft eene begrooting van uitgaven te doen met verplichtingen der ingezetenen en wat bindt de uitvoerende macht nadrukkelijker, dan zoodanige aanwijzing, verdeeling en beperking der uitgaven als waartoe eene begrootingswet strekt?

Het is niet alleen in den geest der Grondwet, het is, dunkt mij, voor den Minister alleszins wenschelijk, dat de regeling van zijn gebied van bestuur ruste op eene wet, die alzoo een grondslag voor zijne verantwoordelijkheid oplevert en haar tevens beperkt.

De vertegenwoordiger, Mijnheer de President, kan nooit aannemen, zooals de geachte spreker uit Hoorn dat verleden Zaterdag scheen te doen, dat zijn vermogen om het geld toe te staan zou kunnen worden afgezonderd van invloed op hetgeen daarvoor tot stand ruoet worden gebracht. De vertegenwoordiger heeft niet alleen te vragen of wij kunnen betalen, maar hij mag, hij moet vragen wat wij daarvoor zullen erlangen. En zoo ligt in de macht om de middelen in te willigen eene bevoegdheid tot mederegeling van hetgeen waartoe die middelen moeten dienen.

Eene andere reden, die nimmer door de Vertegenwoordiging kan worden verzaakt, pleit, waar het, gelijk hier, niet enkele verrichtingen of werken, maar een samenhangend geheel van bestuur geldt, evenzeer voor wettelijke regeling. Bij eene jaarlijksche begrootingswet verhoogt men de uitgaven zonder veel moeite, maar hoe krimpt men ze wederom in? Ik herinner als waarschuwend voorbeeld hetgeen in 1848 gebeurd is. Hoe krimpt men weder in? Doorgaans zal dat in de maand December voor het volgend jaar, dat ingaat met 1 Januari, onmogelijk worden bevonden. Inkrimping is slechts mogelijk ten gevolge van een vroeger, onafhankelijk van de begrooting vastgesteld plan, waarnaar de begrootingen worden geregeld.

De Minister zegt: eene wet zou of te veel óf te weining bepalen. Te weinig, dan ware te veel ruimte gelaten aan het Gouvernement; te veel, dan ware de vrijheid van het Gouvernement te zeer beperkt. Waarom moet men zich juist die twee uitersten voorstellen? Is het niet van eene Regeering, van een Minister vooral, die met zooveel kalmte de behoeften van zijn departement overweegt, te verwachten, dat ons in het ontwerp noch te veel, noch te weinig zal worden voorgedragen, maar juist die mate van bepalingen, die te zamen een goed plan van organisatie voor eene reeks van jaren op den voet van vrede vormen? Maar voor oorlog! zegt de Minister. Ik erken, Mijnheer de President, voor den tijd van dadelijken oorlog maakt men geene wet in tijd van vrede; doch dat is ook volstrekt onnoodig; want de tusschenkomst der Staten-Generaal. ook wanneer er geen plan van

Sluiten