Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waarom, vroeg de minister van koloniën, zou de kamer, als de regeling l>ij een algemeenen maatregel wierd getroffen, geene contröle kunnen uitoefenen?

Kegeling bij de wet, vervolgde hij, was thans onmogelijk. Eene spoedige regeling was zeer gewenseht, en eene regeling bij de wet zou onvermijdelijk tot lang uitstel leiden.

Ik laat de snikerbereiding daar. Ik wil met betrekking tot hetgeen de Minister in de laatste plaats zeide alleen dit aan zijne aandacht onderwerpen dat, wanneer juist is hetgeen ik beweerde en de Minister erkent, wij nu juist een allergelukkigst tijdstip hebben bereikt. De overweging van den Minister is rijp; zij is gevorderd tot het samenstellen van een algemeenen maatregel van inwendig bestuur, reeds onderworpen aan den Raad van State. Zoo dus ooit een onderwerp, waarvan de beginselen kunnen worden geregeld bij de wet, rijp is voor die regeling, dan is het zeker dit. Tot dusverre kon de Minister zeggen: „het onderzoek is nog niet ten einde; het maken van eene wet zou zeer groote moeite kosten." De Minister erkent, dat in den regel, wanneer een onderwerp door hetgeen wij een algemeenen maatregel van bestuur noemen, kan worden beheerscht, de hoofdbeginselen ook kunnen worden gevestigd in eene wet. Welnu, de maatregel van inwendig bestuur is er, althans aan den Raad van State onderworpen. Hoeveel tijd en moeite kan het nu nog kosten, de grondslagen in eene wet te teekenen?

De twee eerste punten. Ik geloof, Mijnheer de Voorzitter, uit het antwoord van den Minister te mogen opmaken, dat ik niet duidelijk geweest ben. Ik zal het nu in twee woorden trachten te zijn,

Tusschen een algemeenen maatregel van bestuur en de wet is, meen ik, dit groote verschil, dat de eerste door de uitvoerende macht zelve kan worden veranderd. De wet kan dat niet. Derhalve hebben wij in de wet een vasten regel, waarmede wij de handelingen van den Minister en van al de uitvoerende machten, onder den Minister geplaatst, kunnen vergelijken. Die vastheid, die regel ontbreekt ons, zoolang wij geene wet hebben. Het is uit dien hoofde dat ik meende te mogen zeggen, dat de waarborg, dien de ministerieele verantwoordelijkheid geven moet, ons ontbreekt, zoolang wij eene wet missen. De controle, bestaande in kennisneming van mededeelingen, aan de Kamer gedaan, is niet hetgeen ik bedoelde; deze is niet de controle, die onmiddellijk verbonden is, die één is met de ministerieele verantwoordelijkheid in strengeren zin, waarvan ik sprak.

In de koloniën, repliceerde de minister, was de koning zoowel hoofd der uitvoerende macht als, in den regel, wetgever. Hetgeen de heer Th. verlangde, zou er echter toe brengen, dat de kamer in het algemeen wetgeefster werd.

De Minister wenscht hetgeen ik ook wensch. Ik wensch niet dat de Tweede Kamer wetgeefster in koloniale zaken zij, maar de Minister veroorlove mij te zeggen dat de weg, dien hij ons aanraadt, juist de

Sluiten