Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weg is dien hij vermijden wil. Hetgeen ik verlang is regeling door de wetgevende macht, waarvan deze Kamer een tak is. Zoolang wij zoodanige regeling niet hebben, wat zal er gebeuren? Hetgeen tot dusverre gebeurd is. En noch deze, noch een volgend Minister zal op den duur aan den aandrang van deze Kamer weerstand kunnen bieden. Bij regeling door de wet zal een onbepaald dringen ophouden, dat door de bloote uitvaardiging van een maatregel van bestuur zonder wet geenszins zal worden gestuit. Zulk een maatregel zal niet beletten, dat duizenden redenen gevonden worden, niet alleen in deze Kamer maar ook daarbuiten door belanghebbenden, om de ingevoerde regeling te verwerpen of af te keuren, en eene andere in te roepen. Spreekt de wet, dan zal ieder, dan zal ook deze Kamer weten, waaraan zich te houden.

12 Mei. Verzoekschrift. Een fabrikant te Leiden en een aannemer te 's Gravenhage hadden concessie aangevraagd voor eene spoorwegverbinding van Scheveningen met 's Gravenhage en Gouda. De concessie was geweigerd op grond, dat aan de hoUandsche ijzeren spoorweg-maatschappij concessie was verleend voor (Jen aanleg van een lijn van Scheveningen naar's Gravenhage, Leiden en Woerden; terwijl bij die concessie was bepaald (art. 5) dat geene andere lijnen tot verbinding van den hollandschen spoorweg met den rijnspoorweg zouden worden toegestaan, dan die van Leiden naar Woerden, te Amsterdam, te Kotterdam, en ter aansluiting van een spoorweg naar het Nieuwe Diep. De hollandsche spoorweg-maatschappij had zich bij artt. 2—4 der concessie verbonden, na aanleg der verbindingen, tot spoorversmalling op hare verschillende baanvakken over te gaan.

„Mocht de regeering echter" - vervolgde dan art. (i der concessie - „na verwezenlijking van de in artt. 2 tot 4 genoemde gevallen, en na bewerkstelligde spoorversmalling, eene andere verbinding tnsschen den hollandschen ijzeren spoorweg en den nederlandschen rijnspoorweg in het algemeen belang nuttig of noodig oordeelen, zal zij te allen tijde bij machte zijn de bepaling van het voorgaande artikel buiten werking te stellen door eene bloote verklaring harerzijds, mits in dat geval den concessionaris voor een gedeelte schadeloos stellende wegens de tot de bewerkstelligde spoorwegversmalling aangewende kosten, waarbij nochtans bepaald wordt:

„lo

„2o. dat de gedeeltelijke schadeloosstelling, onder attrek van het alzoo niet lil aanmerking komende (omschreven in lo.) proportioneel zal berekend worden over het overig gedeelte, naar den maatstaf enz."

liet beding, in artikel ü opgenomen, zonder bij de wet te zijn goedgekeurd, was door den heer Dullert aan kritiek onderworpen. De ministers van binnenlandsche zaken en van justitie hadden de verleende concessie verdedigd. De vraag, meende de minister van justitie, die het bij art. (j gold, was slechts: „is de regeering onbevoegd verbintenissen te sluiten, die geldelijke verplichtingen voor den staat medebrengen, wanneer die verbintenissen niet vooraf zijn onderworpen aan de goedkeuring der wetgevende macht?" Hij hield de bevoegdheid der regeering staande. Slechts onder deze reserve: „wanneer die

Sluiten