Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbintenissen geldelijke verplichtingen medebrengen, dan kan de staat ze niet uitvoeren , daaraan geen gevolg geven '.onder medewerking der wetgevende macht." Eene verbintenis tot levering van goederen werd toeh ook niet te voren bij de wet goedgekeurd.

Daarenboven, vervolgde hij, dat alles was hier de kwestie niet. In het onderhavige geval was eene overeenkomst gesloten onder opschortende voorwaarde. Eerst wanneer de voorwaarde in vervulling kwam, zou de verbintenis hare volle werking erlangen. Doch ook eerst dan en niet vroeger zou de tijd gekomen zijn, om bij de wetgevende macht de middelen tot uitvoering der verbintenis aan te vragen. Weigerden de staten-generaal de noodige gelden, dan verviel daarmede de verbintenis, die onuitvoerbaar werd.

De laatste spreker (de heer Hoffman) vroeg: wat zal het gevolg wezen van het aannemen — wat van het verwerpen van het voorstel van ons geacht medelid uit Zutfen? Ik antwoorde: het gevolg zal zijn, dat wij een allerheilzaamst beginsel, hetgeen tot dusver, dacht ik, in de Kamer vast stond, of handhaven, of het, zooal niet loslaten, toch aan twijfel prijs geven.

Inderdaad is het in deze discussie, naar mijn inzien, niet te doen om eenig lokaal belang, maar om dat beginsel.

De Minister van Binnenlandsche Zaken heeft zeker van mij geenerlei verdenking te vreezen, alsof hij de Grondwet zou hebben willen ter zijde laten. De Minister is mijn oude vriend en bondgenoot bij die herziening en verbetering der Grondwet, welke hij niet minder dan ik verlangde. Ik ben verre van de onderstelling, dat hij aan die Grondwet — waarvan hij zeggen kan cujus pars magna fui — niet steeds hetzelfde hart zou toedragen, dat ik vroeger bij de voorbereiding heb leeren kennen. Evenwel, toen ik den Minister bij gelegenheid van de eerste beraadslaging over deze concessie dit beding van art. 6 hoorde aanhalen, heb ik wel niet gewaagd te spreken vóór dat ik het artikel gelezen had, maar bevreemdde mij hetgeen de Minister zeide uitermate. Ik dacht: de Minister van Binnenlandsche Zaken is evenals ieder ander Minister van Binnenlandsche Zaken verplicht bij gewichtige financieele bepalingen op zijn ambtgenoot voor de Financien te vertrouwen; en zien wij nu niet in dit beding een nieuw blijk — gelijk wij er wel meer plachten waar te nemen — dat bij den tegenwoordigen Minister van Financien de traditie van vóór 1848 levendiger is dan bij de meerderheid van deze Kamer?

Nadat ons de concessie was medegedeeld, ben ik van dien indruk niet teruggekomen. De vraag scheen mij en schijnt mij nog eenvoudig deze te zijn: Er is eene uitsluitende concessie verleend; de Regeering zelve heeft ondersteld, dat iets vroeger of later het uitsluitend karakter van die concessie geacht wierd niet te zijn in het algemeen belang, en voor dat geval geldt 2°. van art. 6. Deze zelfde Regeering, een volgend Minister, kan oordeelen: de uitsluiting strijdt met het algemeen belang. De Minister is, gelijk wij, een werktuig van het alge-

Sluiten