Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet den weg inslaat, dien de Regeering voorstelt, een weg, die er ons toe brengen zou om ons vrijwillig in die noodzakelijkheid te storten.

Van verschillende zijde ondervond het amendement van den heer Th. bestrijding. De heer Mackay kwam vooral ook tegen den vorm op. Waarom niet liever de wet afgestemd, dan dezen inconstitutioneelen weg gekozen, die toch tot terugnemen van het ontwerp zou moeten leiden? De bezwaren tegen staatsspoorwegen, meende hjj verder, waren niet minder ernstig dan die tegen het concessie-stelsel. Alen moest dus maar aanvaarden datgene, waardoor de dringende behoefte aan spoorwegen eindelijk zovide worden vervuld.

Zou aanneming van het amendement opnieuw tot uitstel leiden? De minister van financiën gaf dit te kennen en onderscheidene sprekers vielen hem bij. Het voorgestelde amendement, verzekerde de minister, was niet anders dan eene poging, om de kamer in een hinderlaag te lokken. Het slot van het amendement, immers, stelde wederom staatsspoorwegen in het vooruitzicht. Aannemelijke concessie-aanvragen zouden uitblijven. Uitzicht op behoorlijke mededinging werd door het amendement niet geopend; van zekerheidsstelling werd daarin niet gesproken. Zou men dan na een jaar niet weer even ver zijn? en opnieuw eene discussie over den aanleg van spoorwegen door den staat moeten openen?

De heer Heemskerk weersprak, dat de belgische staatsspoorwegen geene behoorlijke renten zouden hebben afgeworpen. Bij de berekening in het compte rendu waren de groote sommen die voor rente en aflossing der voor de spoorwegen opgenomen kapitalen uit de opbrengst werden besteed, buiten rekening gelaten.

De minister van binnenlandsche zaken drong er op aan, dat alleen over den aanleg, niet over de exploitatie der lijnen thans zou worden beslist. Ook hij oordeelde overigens exploitatie door den staat weinig wenschelijk.

Ik bepaal mij tot eenige opmerkingen. Vooreerst met betrekking tot de kritiek, die het amendement heeft ondervonden, in de eerste plaats van den geachten afgevaardigde uit Arnhem (den heer Mackay). Hij zou de voorkeur gegeven hebben aan afstemming, zonder amendement. Het doet mij leed dat de geachte spreker in die stelling eene vraag gemengd heeft over het meer of min constitutioneele onzer handelwijze. Mij komt het alleszins constitutioneel voor, en dit is, wat mij persoonlijk betreft, de beweegreden van het amendement, dat men afkeurende, zoo mogelijk in de plaats stelle hetgeen men wil.

Concessiën, zegt de spreker, zullen öf lang op zich laten wachten of niet dan op bezwarende voorwaarden gevraagd worden. Het schijnt ons toe dat het amendement juist de omgekeerde werking moet hebben. Wanneer de wet zegt: zoo geene dan onaannemelijke voorwaarden van aanleg bij concessie worden gesteld, neemt de Staat den aanleg voor zijne rekening, dan zal dat wel eene

Sluiten