Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26 Juli. Voorstel van den heer Dommer van Poldersveldt, aan artikel 2 nog toe te voegen eene lijn „van Arnhem, over Njjmegen en Grave, naar 's-Hertogenbosch".

Reeds "s vorigen daags was deze lijn ter sprake gebracht. De heer Dommer had haar toen aanbevolen, almede om Pruisen te believen en daarmede gunstig te stemmen voor eene aansluiting te Vierssen, die wjj behoefden. Van andere zyden was men daartegen opgekomen. Dergelyke concessie oordeelde men in strijd met onze nationale eer, en krenkend voor ons nationaal gevoel. Daarop had de minister van binnenlandsche zaken den heer Dommer in bescherming genomen. Had men ten aanzien van de versmalling van den Rijnspoorweg niet iets dergelijks gedaan? Toen was men toch ook aan een verlangen van Pruisen tegemoet gekomen, om aansluiting te kunnen verkrygen.

Men beveelt het voorstel aan door het verlangen van Pruisen. Een geacht spreker (de heer Elout) heeft mij de eer gedaan mijne woorden, in eene vorige zitting, ik meen in de maand November, gesproken, over den invloed van zulk een verlangen, voor te lezen. Daarin is in de eerste plaats eene vraag van nationale eer en zelfstandigheid betrokken. Ik laat die vraag nu daar; want ik wil een buitenlandsch voorbeeld aanhalen; en hoop, dat Nederland, waar het die vraag geldt, nooit eene les in den vreemde zal behoeven te nemen.

Ik wil in het voorbeeld doen zien, dat hetgeen ik toen in bedenking gaf, tevens de meest doelmatige en rechte weg van handelen is.

Ik ga de vergelijking voorbij, w.elke de Minister van Binnenlandsche Zaken maakte, met hetgeen over het breede spoor van den Rijnspoorweg is voorgevallen. De Minister vergunne mij de opmerking, dat er geene gelijkenis bestaat tusschen die geschiedenis en de zaak die wij nu behandelen.

Het voorbeeld. Het voorbeeld ontleen ik aan de discussie over de eerste Belgische spoorwegwet. De Kamer herinnert zich dat het oorspronkelijk voorstel van de Belgische Regeering was, een weg te maken tusschen Antwerpen en de Pruisische grens, om alzoo eene nieuwe verbinding met den Rijn te erlangen in plaats van die over onze binnenwateren, welke België, na de scheuring, meende verloren te hebben.

Bij die discussie verlangden onderscheidene leden, de heeren Osy, d'Elhoungne, Jullien, Destouvelles, dat men vooraf zich van de toestemming van Pruisen verzekerde.

Wat werd van de andere zijde geantwoord?

De heer de Theux zeide: „J'ai tout lieu de croire, qu'il ne se rencontrera pas de difficultés, paree que le gouvernement prussien a les mêmes intéréts que nous a l'entreprise."

De gedachte kwam vooréil duidelijk uit in de woorden van den heer Nothomb: „Croyez-vous donc, que la Prusse aurait consenti

Sluiten