Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geef ik volkomen toe, maar de spreuk., welke de Minister liet voorafgaan: „waar een begin is, is een einde" durf ik niet zoo gaaf beamen. Het einde zoude wel eens op zich kunnen laten wachten of geheel achterblijven: wij hebben dat meer gezien.

Ten slotte. Indien wij de werkzaamheden samentrokken om ééne groote lijn tot stand te brengen, naar het voorbeeld dat ik de eer had te noemen, Harlingen en Holland met Rheine en Holland met Luik of Maastricht en den linker Rijnoever te verbinden, en niets anders deden alvorens die taak ware voltooid, „waar ware dan, vraagt de Minister, de waarborg voor de andere deelen?'' Kan mijne kritiek beter worden gerechtvaardigd dan door die vraag? Indien men deed hetgeen ik zoude verlangen, hetgeen mij de ware regeling der werkzaamheden zou toeschijnen, dan zou men het algemeen boven het lokaal belang doen gaan. En is dat niet de eerste plicht zoo van eene Regeering, als van eene Volksvertegenwoordiging. Ik waag ook deze vraag op die van den Minister: Is dan eene wét, die zegt, dat zekere lijnen zullen worden aangelegd, in dit land geen waarborg meer? Is het een waarborg dat op 8 punten tegelijk zal worden begonnen, zoodat, wanneer wij ook gedurende twee of drie jaren gelukkig genoeg zijn om geene staking te ondervinden, en daarna een hinderpaal ontmoeten, wij met vele kleine eindjes spoorweg zullen zitten, waarvan geen enkel bruikbaar zal wezen, noch in het algemeen, noch in eenig plaatselijk belang? Is dat een waarborg, waarop zelfs zij, die het om lokaal gerief te doen is, prijs durven stellen?

27 Juli. Artikel 5. „Jaarlijks wordt voor den aanleg der in artikel 2 genoemde spoorwegen ten minste tien millioen gulden op de staatsbegrooting uitgetrokken."

Ik acht mij verplicht twee woorden te zeggen ten aanzien der uitlegging van dit artikel, in verband met de vrijheid, die ik wil handhaven, indien het in de wet mocht blijven.

Ik zeg met vrijmoedigheid, dat het artikel mij enkel bestemd schijnt om eene bedriegelijke zekerheid te geven; eene zekerheid, die niet bestaat en niet bestaan kan.

Zeer terecht is, dunkt mij, door meer dan één spreker dit dilemma gesteld: of het artikel legt een band èn op de Regeering èn op de Vertegenwoordiging; öf het artikel heeft geene beteekenis hoegenaamd.

Zoo het een band voor de Regeering en voor de Vertegenwoordiging moet zijn, dan is het, voor de eene zoowel als voor de andere, mijns inziens, eene verbintenis zoo irrationeel, dat geene wet die kan opleggen. Hoe kan in eene aangelegenheid, als die waarmede wij nu te doen hebben, de Regeering verplicht worden om telken jare ten minste 10 millioen op de begrooting te brengen ?

18*

Sluiten