Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het ware een gebod om, wanneer dat, vanwege andere eischen, niet oorbaar mocht zijn, het belang van liet land te verzaken. Dat het niet minder onredelijk zou zijn dergelijken band op de Vertegenwoordiging te leggen, daarover behoef ik geen enkel woord te verliezen. Zoo het artikel oprecht uitdrukte, hetgeen het alleen uitdrukken kan, dan zou het moeten luiden: Indien de omstandigheden het toelaten, zullen jaarlijks 10 millioen op de begrooting worden gebracht. Wierd dat in het ontwerp gelezen, dan zou, geloof ik, ieder lid der Kamer vragen: waartoe het artikel? Het kan evenwel in waarheid geene andere beteekenis hebben: en ik zal mij dus tegen het artikel, als te eenen male ijdel en nutteloos, verklaren.

28 Juli. Voorstel van drie leden tot het houden van eene enquête over den toestand van de Haas en de Zuidwillemsvaart. Het voorstel was door de heeren Strens, Gevers Deynoot en Th. ingediend. (Vergel. Dl. III, 1854—1857, blz. 358 en 394).

Nadat de heer Strens het voorstel had toegelicht, had de minister van buitenlandsche zaken zich laten hooren. Hij meende, dat eene enquête op dit oogenblik weinig doelmatig kon zijn, en de goede zaak, die men voorstond, zoude moeten schaden. Meer licht over deze aangelegenheid te verspreiden, dan er reeds nu was, scheen den minister onmogelijk. Verwachtten de voorstellers zeiven wel nut van de enquête? Waartoe hadden zij dan zestien maanden laten verloopen, eer zij tot de indiening waren gekomen? De enquête zou daarenboven wederom veel tijd doen verloren gaan. Thans was men met de onderhandelingen niet het belgisclie gouvernement een heel eind opgeschoten; de regeering had van België eene toezegging gekregen, dat, zoolang de onderhandelingen niet geheel waren afgeloopen, niet meer water uit de Maas zou worden afgevoerd, dan thans geschiedde. Zou België, als de enquête doorging, en het eind der onderhandelingen daardoor niet meer was te voorzien, zich aan zijne toezegging willen houden? Zou de welwillende houding van België door deze enquête niet zeer worden geschaad?

De heer van Goltstein bestreed de grondwettigheid van het voorstel. Het gold hierbij, zei hij, het bestuur der buitenlandsche betrekkingen, en dat bestuur lag, krachtens de grondwet, buiten de bemoeiing van de kamer. Dan, beweerde ten slotte de heer Storm van 's Gravesande, de voorgestelde enquête zou onuitvoerbaar blijken. Hoe zou men buitenlandsche getuigen kunnen hooren?

Ik heb mij gaarne geschaard onder diegenen, die gemeend hebben dit voorstel aan de Kamer te moeten onderwerpen, omdat ik overtuigd was, gelijk ik het nog ben, dat eene enquête het eenige, het noodzakelijke middel is voor de Vergadering om in deze aangelegenheid haren plicht te vervullen.

Sluiten