Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er is hoofdzakelijk tweeërlei bedenking tegen de enquête door onze medeleden in de discussie aangevoerd.

De eerste is die van het geachte lid uit Amersfoort (den heer van Goltstein). De enquête is, zegt hij, niet grondwettig. Indien dat juist is, Mijne Heeren, hadden wij dan niet alle bezwaarschriften over deze zaak van den beginne af ter zijde moeten leggen, en zouden wij dan het recht hebben gehad om den Minister, zooals zoo dikwijls is gebeurd, over het onderwerp te interpelleeren? Ongrondwettig kan eene enquête over belangen onzer rivieren en onzer scheepvaart niet zijn. Eene andere bedenking van den geachten afgevaardigde uit Amersfoort zal ik aanstonds met een woord behandelen, wanneer ik den Minister van Buitenlandsche Zaken ontmoet.

Het geachte lid uit Steenwijk (de heer Storm van 's Gravesande) meent, dat de enquête niet uitvoerlijk zal zijn; voornamelijk heeft het geachte lid hierop gedrukt: „men zal vreemdelingen moeten hooren en dat kan niet anders geschieden dan op de wijze, bij art. 23 van de wet tot regeling van het recht van enquête voorgeschreven. De vragen moeten door tusschenkomst van het Ministerie verzonden, en de geschreven antwoorden langs denzelfden weg ontvangen worden." Is die uitsluitende opvatting van art. 23 wel juist? Ik meen dat de commissie zelve ook uit den vreemde kan oproepen of uitnoodigen; met het gewone middel kan altijd worden begonnen. Wanneer zij aan de oproeping niet voldoen , komt geen dwang te pas, doch dan kan, door tusschenkomst van de diplomatie, het buitengewone middel van art. 23 worden gebezigd. Ik ben bijna overtuigd dat uit de grensstreken van België, palende aan ons land, meer dan een vreemdeling, deskundige of niet, maar belanghebbende, zich gaarne voor de commissie van enquête zal laten hooren.

^ olgens den Minister zal de enquête nadeel aan de onderhandeling doen. De Minister vergunne mij eene vraag. De enquête is sedert een jaar voorgesteld. Het schijnt niet, dat men aan dat voorstel tot dusver van de zijde van België eene exceptie ontleend heeft. Men heeft in den loop van dit jaar onderhandeld; eenige feiten dier onderhandeling zijn bekend. De Minister zelf deelde ons mede, dat hij, bij de aanvaarding van het Departement, eene nieuwe instructie, reeds ontworpen, onderteekend en verzonden heeft. De onderhandelingen zijn derhalve, hangende het voorstel tot enquête, voortgezet. En nu, nu Uelgië erkend heeft onrecht te hebben, nu België zich bereid verklaart om dat onrecht, zoo men zich over het aequivalent kan verstaan, goed te maken, is het dan nu eene ernstige reden tot bezorgdheid, dat eene enquête, vanwege deze Kamer ingesteld, om haar tot oordeelen in staat te stellen, de onderhandelingen zou kunnen belemmeren? Wanneer

Sluiten