Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ginselen ot regels, volgens welke ten aanzien van de burgerlijke en andere wetgeving zal behooren te worden gehandeld, moeten morden gewacht van de wetgeving, die in het reglement op het beleid zal worden nedergelegd.

Hit een onzer vorige verslagen las ons de Minister zekere zinsnede voor, waaruit bleek, dat men bovenal de emancipatie verlangde. Ik ben, als lid dezer Kamer, den Minister zeer erkentelijk voor de deferentie, die hij heeft jegens een dergelijken wensch, in een verslag uitgedrukt; maar wie heeft verlangd, — ik het minst van allen, — dat de emancipatie zou wachten op de burgerlijke wetgeving? Het Gouvernement heeft, wat voor de burgerlijke wetgeving voorbereid was, jaren lang laten rusten, en plotseling, gedrongen door de Kamer, de emancipatie ter hand genomen, "tt aarom nu niet gelijktijdig de burgerlijke wetgeving in haar geheel en vooral de grondwettelijke regeling der kolonie verzekerd, en alzoo de algemeene beginselen van regeering en wetgeving voldongen? Dan zou men in het stelsel van het opperbestuur ten aanzien van \\ est-Indië eenheid, gang en samenhang kunnen ontwaren.

16 October. Bij de beraadslaging over de conclusie van het verslag der commissie omtrent de stukken en mededeelingen over de gouvernementssuikercultuur op Java en de onderneming Pangka. De conclusie strekte, in de eerste plaats, door de kamer te doen verklaren „dat er behoefte bestaat 0111 de regels voor de uitgifte van cultuurcontracten in nederlandscli Indië te stellen door de wet." De minister van koloniën had de conclusie bestreden. Zoolang geene bepaalde redenen werden aangevoerd, waarom regeling bij de wet de voorkeur zou verdienen, oordeelde hij het \olgcns de grondwet niet geoorloofd, de bedoelde contracten bij de wet te regelen. Behoefte aan regeling bjj de wet was geenszins gebleken, en dat was toch de hoofdvraag. Had niet ook de heer Th. den oden Juli 1850 (Zie Dl. II, 1849-1850, blz. 296) gezegd, het zoozeer als iemand te betreuren, dat artikel 59 in de grondwet was opgenomen gelijk het luidde, vermits nu, indien slechts het gouvernement verklaarde, de behoefte tot regeling van een of ander onderwerp niet in te zien, het niets baatte of de geheele wereld ze wel inzag?

Eén woord. De Minister heeft mij gisteren verplicht, een rede in te zien, vóór tien jaren door mij gehouden, toen ik in eene discussie, geheel vreemd aan het departement van den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken, overvallen werd door eene vraag van een lid dezer kamer. Ik heb die rede nog eens ingezien, en wat vond ik? Ik vond, dat ik in die rede art. 59 van de Grondwet, en inzonderheid de laatste alinea van dat artikel, heb beschouwd tegenover een Gouvernement, dat wettelijke regeling

Sluiten