Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verplicht, de bevelen na te komen, die hun in hunne ambtsbetrekking van Onzentwege worden gegeven."

Betrekking van de ambtenaren van het openbaar ministerie tot den minister van justitie.

Ik heb twee vragen.

Ik zal niet spreken over de afzetbaarheid van de ambtenaren van het openbaar ministerie. Ik zou niet noodig hebben dat te zeggen, indien de Minister bij de beraadslaging over deze afdeeling in het algemeen niet, mijns inziens ten onrechte, in de vraag over de afhankelijkheid of zelfstandigheid van het openbaar ministerie de vraag over de afzetbaarheid dier ambtenaren gemengd had. Ten onrechte, mijns inziens, want wTij hebben onderscheidene klassen van ambtenaren van eene zelfstandige ambtsuitoefening en die evenwel afzetbaar zijn.

De zelfstandigheid van het openbaar ministerie zal ik ook niet opzettelijk behandelen. Indien dat geschiedde, dan zou men, geloof ik, de onderscheidene deelen van de taak van het openbaar ministerie moeten onderscheiden. En dan zou het wellicht blijken dat, zoover afhankelijkheid van de bevelen van den Minister van Justitie te pas komt, die afhankelijkheid niet ten aanzien van al die deelen dezelfde kan zijn. Ik veroorloof mij echter ééne opmerking; en wanneer ik daarbij van afhankelijkheid of van zelfstandigheid van de ambtenaren van het publiek ministerie spreek, dan heb ik uitsluitend het oog op de bevoegdheid om te vervolgen. Ik laat de overige takken van hetgeen aan het publiek ministerie is opgedragen thans ter zijde.

Hetgeen de Minister in dit artikel uitgedrukt heeft en bovenal zijne verdediging van de afhankelijkheid van de ambtenaren van het publiek ministerie, hebben mij hetgeen wij onder eene vorige Regeering bijwoonden herinnerd.

Bij het eerste ontwerp van rechterlijke organisatie, dat in 1827 is vastgesteld, werd de afhankelijkheid van het publiek ministerie van de bevelen van den Minister ongeveer in de bewoording, die wij thans weder lezen, bevestigd. Dat artikel kwam mij steeds voor het resultaat te zijn niet van de Fransche wetgeving, want in de Napoleontische wetgeving, in de wet van 1810, vind ik geene zoo absolute stelling als deze, maar het resultaat der praktijk van het groote keizerrijk; eene praktijk, die zeker geene zelfstandigheid van eenigen ambtenaar duldde. Die praktijk is overgegaan in de gedachte van den toenmaligen Minister van Justitie, die, een vriend van de keizerlijke wetgeving, ook een warm vriend was van de praktijk van het keizerrijk. En zoo is die stelling in de wet overgegaan, op welk tijdstip? In een tijd van gedurige twisten, niet alleen met de burgers, maar met de autoriteiten in de toenmalige zuidelijke gewesten. En deze absolute stelling van

Sluiten