Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lasting worden beschouwd of kunnen worden beschouwd als burgerlijke zaken. Maar in een geschil, uit belasting voortspruitende, is de Staat niet loco privati, maar als overheid tegenover hem, die aanspreekt, en is de grond der actie elders, dan in het burgerlijke recht, te zoeken. De betrekking toch tusschen den belastingheffende en den belastingbetalende wordt niet door het burgerlijke recht geregeerd.

Is ter zake van belasting eene uitzondering noodig, dan zou die met even veel recht ten behoeve van andere vorderingen, waarin de Staat, schoon niet uit eene verbindtenis jure civili, soms zou kunnen geacht worden voor den rechter aansprakelijk te zijn, moeten worden gemaakt.

Spreekt echter het artikel van actiën slechts in dien uitsluitenden zin, dien het volgens mijn gevoelen, en ook dat van den Minister, heeft, dan zijn alle niet civiele actiën van zelf buitengesloten.

De minister bleef volhouden.

De Minister acht in zake van belasting* louter civiele vorderingen tegen den Staat denkbaar. Is dat juist? Mij dunkt, neen. Bedoelt de Minister wellicht de condictio indebiti, eene vordering tot teruggave van het onverschuldigd betaalde? Maar ook in dat geval schuilt immers de oorzaak van het geschil altijd in het belastingrecht, en zal dus daarvan kennis moeten worden genomen niet jure civi/i, maar door den rechter, die op het gebied der belastingwet, en volgens de regelen, door haar gesteld, uitspraak doet.

Artikel 82. Cassatiegronden.

„De Hooge Raad vernietigt en stelt buiten werking de vonnissen, arresten, handelingen en beschikkingen wegens: 2U. verkeerde toepassing of schending van het recht." Ik stem met den Minister ten aanzien van het doel, dat hij mij schijnt te willen bereiken, overeen, maar ten aanzien van het middel neem ik de vrijheid van hem te verschillen.

Wat is, zoo ik het wel begrepen heb, het doel van den Minister? Zijn doel is, dat de Hooge Raad kunne casseeren niet enkel wanneer eene of andere bijzondere wetsbepaling, maar wanneer de gedachte of de zin der wet, wanneer eene wettelijke verordening, ook wanneer gewoonte of eene vreemde wet, door onze wet erkend, geschonden ware. Het recht van cassatie wil de Minister ook voor die gevallen boven twijfel stellen. Het middel, dat de Minister daartoe voorstelt, schijnt mij onnoodig en niet raadzaam.

Mijne Heeren, ik zal trachten over deze mijns inziens mooie vraag mij zoo kort en zoo duidelijk te verklaren als het mij moge-

thorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1860—1861. 20

Sluiten