Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk zal zijn. Ik zal niet beginnen met een voorstel van wijziging, maar afwachten wat de Minister zal aanvoeren, ten einde dan, zoo noodig. een amendement in mijn geest te onderwerpen. ' Het middel dat de Minister bezigt, is de uitdrukking: schending van de wet te doen vervangen door schending van het recht. Die vervanging schijnt mij, voor het doel van den Minister, niet noodig en in allen geval niet raadzaam.

Niet noodig, en om dit aan te toonen stel ik een begrip voorop dat, naar ik geloof, door den Minister niet zal worden betwist. Wet, in de beteekenis en den samenhang, waarin wij haar thans noemen, is iedere rechtsregel, of, met betrekking .tot bepaalde zaken, iedere toepasselijke rechtsregel, die op onze wet berust. Eene tweede stelling zal de Minister, denk ik, evenmin tegenspreken. De rechter in cassatie mag bij uitlegging der wet evenver gaan als de rechter in eersten aanleg of in appèl, evenver, niet meer en niet minder. De rechter nu in eersten aanleg en in appèl, wanneer hij, om de wet toe te passen, de wet uitlegt, heeft hij dan enkel te letten op de bijzondere wetsbepaling, of ook op de gedachte of den zin der wet? Heeft hij ter beslissing enkel de bijzondere wetsbepaling en haren zin op zich zelve in aanmerking te nemen, of die in samenhang met onze gansche wetgeving en haar stelsel te beschouwen? Mocht hierover bij iemand twijfel zijn, bij den Minister van Justitie zeker niet.

Wettelijke verordeningen. Zooals de bewoording zelve reeds aanduidt, zijn het verordeningen op de wet gegrond, die dus van zelf binnen den kring vallen van hetgeen de rechter, eene zaak te beslissen hebbende, als regel voor zijne beslissing zal moeten aanmerken.

Gewoonte. Gewoonte heeft bij ons geene kracht, dan wanneer de wet daarop verwijst. Doch wanneer de wet daarop verwijst, dan is het een gewone rechtsregel, evengoed als de regel, die in de wet zelve is geschreven.

Hetzelfde geldt ten opzichte van eene vreemde wet; zij geldt voor zooveel zij door onze wet toepasselijk is verklaard.

Nemen wij nu aan, dat de bevoegdheid van den rechter in cassatie bij uitleg der wet evenver, noch verder noch minder ver, gaat, dan die van den rechter in eersten aanleg of in appèl, kan dan over de beteekenis en den omvang van het voorschrift: „de rechter casseert wegens schennis van de wet" nog twijfel bestaan?

Vervanging van wet door recht is, mijns inziens, niet raadzaam. Aan het doel der cassatie, dat de wet in hare volle kracht worde hersteld, beantwoordt de eerste uitdrukking volkomen. Schending van het recht is eene, mijns inziens, te onbestemde uitdrukking. Wanneer de wetgever de bevoegdheid tot cassatie verleent, is, dunkt mij, een eerste vereischte, dat men den kring duidelijk om-

Sluiten