Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onze diplomatie — de Minister zal het erkennen — is in hooge mate in dat binnenlandsch krediet van het Gouvernement betrokken.

Ten andere. Zoo ik wel verstaan heb, heeft de Minister ons de stelling aanbevolen, dat wij, het klein bescheiden Nederland, onzijdige toeschouwers behooren te zijn. Hij heeft, zoo ik hem wel begreep, een voorbeeld bijgebracht. „Gesteld, een Minister van Buitenlandsche Zaken zij de leer der legitimiteit toegedaan; zou dan de liefde voor de legitimiteit al de handelingen van dien Minister mogen besturen?" Ik geloof dat een Nederlandsch Minister van Buitenlandsche Zaken weinig aanleiding heeft om hetgeen onder legitimiteit verstaan wordt, vooral buiten 's lands, en in de tegenwoordige omstandigheden, in zijne bescherming te nemen. Over het algemeen kunnen wij Nederlanders niet wel geroepen zijn om ons in de groote Europeesche partijschappen te mengen. Eén punt evenwel zal de Minister, hoop ik, niet betwisten, namelijk dat onze diplomatie zelfstandig moet wezen, bestuurd door de gedachte van ons recht en van ons belang en van hetgeen wij daaraan verschuldigd zijn. Onze beweging mag niet enkel van indrukken van buiten afhangen en onze neutraliteit niet in karakterloosheid ontaarden.

„Goede verstandhouding met andere mogendheden bovenal." Ik weet niet of ik op dit punt den Minister beter verstaan heb dan op andere punten. Indien hetgeen ik zeggen zal, aanleiding geeft tot nadere ontwikkeling van de denkbeelden van den Minister, dan. zal ik mij daarmede geluk wenschen. Onze diplomatie, meen ik gehoord te hebben, behoort welwillend te zijn, en, zoo ik mij de uitdrukking van den Minister wel herinner, loyaal. Maar zij behoort ook, dunkt mij, duidelijk te zijn. Niet altijd kan de diplomatie in het openbaar handelen, noch alles zeggen; maar zij kan desniettemin menige aangelegenheid in het publiek rond verklaren. Zoo vroeger voorzichtigheid scheen aan te raden, dat alles wierd bedekt, thans mag en moet, meen ik, de gang van onze diplomatie voor ons en voor anderen helder zijn.

Dit brengt mij tot een verzoek aan den Minister, ten opzichte van hetgeen in § 2 van de Memorie van Beantwoording voorkomt. De Minister zegt daar: „De Nederlandsche vertegenwoordigers in Duitschland zijn in tijds onderricht geworden, dat de tegenwoordige Minister van Buitenlandsche Zaken, evenals zijn voorganger, doordrongen is van de wenschelijkheid om de provincie Limburg ontslagen te zien van de op haar rustende verplichtingen tot den Duitschen Bond, mits zulks kunne geschieden op eene wijze, die de bestaande onderlinge goede verstandhouding niet in de waagschaal stelle Ik wensch den Minister gelegenheid te geven, dat hij zich hierover nader verklare. Wanneer men reeds bij den aanvang der onder-

Sluiten