Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handeling verklaart: indien gij een onvriendelijk gezicht gaat zetten over hetgeen wij verlangen, dan zien wij er van af, kan dit een groot vertrouwen op den ernst der onderhandeling wekken? Meer dan eens zijn in deze Vergadering de punten herinnerd, waarop het aankomt. Het is niet twijfelachtig dat men eene andere constitutie, vooral eene andere militaire constitutie van den Bond voorbereidt. Men heeft gewezen op de partij daarvan door het Gouvernement te trekken. Ik wensch dus, dat de Minister zijne, in mijne schatting, bijzonder flauwe uitdrukking verduidelijke. Geene betrekking wordt opgeheven zonder dat de verstandhouding er eenigszins onder lijde. Maar dat moet men zich, wanneer het belang, aan de opheffing verbonden, grooter is, getroosten. Het spreekt van zelf dat men ons in Duitschland niet maar zoo voetstoots op het eerste woord zal loslaten. De vraag is derhalve: dringen wij met ernst aan en doen wij dat ook dan nog, wanneer deze of gene ontevreden mocht zijn met de pogingen, die wij in ons belang moedig en krachtig beproeven?

Eene tweede vraag betreft het onderwerp van § 5, namelijk de Rijntollen. De Minister brengt hulde aan de pogingen, door de belanghebbenden zeiven aangewend om de gewenschte vermindering te verkrijgen. En terecht. Inderdaad hebben de partikulieren tot dusverre in dit opzicht meer gedaan dan de Gouvernementen. Zij hebben veel gedaan op een gebied, dat eigenlijk dat der Regeeringen is. Ik zie met genoegen, dat de Minister die pogingen waardeert. En wanneer hij van die pogingen spreekt, dan bedoelt hij zeker niet enkel de adressen, maar de onderzoekingen van partikulieren, waardoor aangetoond is dat de tegenwoordige Rijntollen rechtens op geen goeden grond rusten, zoodat wij thans ten aanzien van de natuur van die heffingen veel beter onderricht zijn dan wij het waren voor een paar jaren. Ik zal den Minister niet behoeven te herinneren wat daarover in Duitschland gedurende het laatste jaar tot een helder betoog en inzicht is gebracht. Ik twijfel ook niet, of de Gouvernementen zullen daardoor allengs worden medegesleept. Maar van onzen Minister van Buitenlandsche Zaken had ik op dit oogenblik reeds iets meer verlangd, dan hij ons geeft, in deze gewichtige en alleszins publieke aangelegenheid. Ik had gewild, dat hij onderrichtte zoowel over den stand der onderhandelingen, als over de gronden, die het Gouvernement doet gelden.

Wij hebben in deze aangelegenheid eene schoone stelling. Wij hebben in 1850 — en ook uit dien hoofde, Mijnheer de Voorzitter, herinner ik mij dat jaar 1850 met voldoening — op onzen Rijn afgeschaft hetgeen wij elders verlangen te zien afschaffen. Wij hebben een goed voorbeeld gegeven; wat doen wij thans om het ware beginsel, dat inderdaad in het belang van allen is, ook buiten ons gebied te helpen zegevieren?

Sluiten