Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Antwoord aan <len minister van buitenlandsche zaken en den heer Van Lynden.

De Minister heeft geen programma willen geven. Ik heb hetgeen hij ons voordroeg eene soort van programma genoemd; doch zal over de tegenspraak van den Minister in geene discussie treden. Ik wil alleen dit zeggen: de Minister scheen mij toe — en tot mijne blijdschap — niet tegen te spreken, dat de kracht vaneen Gouvernement naar buiten niet onafhankelijk is van de kracht van het Gouvernement binnen's lands; eene waarheid, geloof ik, die te allen tijde gold en in onzen tijd meer nog dan ooit.

Wat Limburg betreft, heb ik het woord, dat de Minister in zijne memorie bezigt, het woord wenschelijkheid niet aangevallen, noch verlangd, dat wij daar voor wenschelijkheid lazen noodzakelijkheid. Hetgeen mij krachteloos voorkwam en uitleg te eischen. was dat de Minister de losmaking van Limburg niet denkt te bevorderen dan op voorwaarde dat de bestaande onderlinge goede verstandhouding niet lijde. Dit, dunkt mij, is eene onbegrijpelijke verzwakking van den aandrang op een wezenlijk belang. Ik vorderde geenszins eene dadelijke schikking; ik heb niet gezegd, dat het oogenblik nu was gekomen om die op eens tot stand te brengen. Ik heb alleen verlangd, dat de Minister ons meer zou mededeelen, dan hij in de Memorie van Beantwoording heeft gedaan, van de wijze, waarop de Iiegeering zich dat belang aantrekt.

De Minister zegt: „wij hebben te minder reden te sterk te dringen omdat het Duitsche bondgenootschap inschikkelijk is. Zonder die inschikkelijkheid toch zouden wij moeten aanzien dat de wet op de drukpers en andere bondswetten in Limburg wierden ingevoerd." Maar, Mijnheer de Voorzitter, de Minister houdt niet in het oog dat die wetten over het grootste deel van Duitschland niet in werking zijn. Gelden die wetten bijv. in Pruisen? Daar heerscht in dit opzicht eene algemeene toegeeflijkheid; zoodat wij te dezen aanzien niet op eene bijzondere inschikkelijkheid te roemen hebben.

Ik ben verplicht hierbij eene uitdrukking op te nemen van den geachten spreker uit Nijmegen (den heer van Lynden). Ik denk niet, dat het zeggen van den Minister van Buitenlandsche Zaken, dat hij deelde in de beschouwingen van het geachte lid, toepasselijk is op de aanmerking, die ik nu ga beantwoorden.

Het geachte lid zeide: „in 1850 had men het in zijne hand om zich van Duitschland los te maken." Ik zal niet zeggen dat dit een lichtvaardig oordeel is, maar ik vraag alleen dat hij zich verplaatse in den toenmaligen toestand, en ik durf verzekeren dat hij, in dien toestand, méér dan een der toenmalige Ministers zou hebben overgeheld om mede te werken tot hetgeen geschied is. Tusschen de Ministeriën van 1848 en dat van 1849 en de volgende

Sluiten