Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jaren bestond eene volkomene overeenstemming omtrent de groote wenschelijkheid dat wij Limburg vrij konden maken uit den Duitschen bond. Doch welke was de loop der gebeurtenissen? Die van 1848 in Duitschland waren nauwelijks begonnen zich te ontwikkelen of iedereen ontwaarde, en de auteuren van die gebeurtenissen in de eerste plaats, dat geene uitkomst te voorzien was. Toen hebben de Duitsche Regeeringen de zaak beschouwd, zooals het geachte lid uit Nijmegen ze beschouwd zou hebben, wanneer zijn gevoelen was gevraagd. Zij hebben gezegd: „de schok van 1848 was een voorbijgaande tusschentoestand: een toestand van revolutie, die tot niets leiden kan; de ondervinding van eiken dag bewijst het; wij hebben dus den draad van de vorige betrekking te hervatten." Onze Ministers nu van dien tijd — waaronder ik mij zeiven in geenen deele noem als iemand die bijzonderen invloed op het beleid dier zaak kon uitoefenen, doch die evenwel de toenmalige handelingen gaarne verantwoordt — hoe vonden zij ons land geplaatst? Ieder moest bovenal zien op Frankrijk; en op Frankrijk in welken toestand? Frankrijk stond als eene bedreiging tegenover België. Was het in die gesteldheid raadzaam, Oostenrijk en Pruisen af te stooten, en met Duitschland eene betrekking te breken, die, zoodra de schok zonder iets na te laten ophield, van zelf scheen te herleven? Kon men niet gelooven en moest men niet aannemen, dat wij wellicht alleen bij Duitschland, aangezien de toenmalige betrekking tusschen Frankrijk en Engeland, steun zouden vinden? En dan de juridische onmogelijkheid om, op dat tijdstip, de zaak van Limburg te scheiden van die van Luxemburg. Luxemburg moest in allen geval het lot van Duitschland volgen; konden wij het verband, dat in de oogen van Duitschland tusschen Luxemburg en Limburg bestond, en waarop de Minister zoo even nog wees, opheffen? Men zou, al had men zoo iets toegelaten, eene schadevergoeding van ons hebben geëischt. Het is, dunkt mij, duidelijk. De grondfout ligt in de handeling van 1839 en 1840, maar die was in 1849 en 1850 niet te herstellen.

Wat de Rijntollen aangaat, daarover heb ik, zoo ik mij niet bedrieg, enkel een misverstand van den Minister terecht te brengen.

Ik heb niet gezegd, dat de Regeering niets gedaan heeft; ik weet niet wat zij gedaan heeft. Het was juist mijn uitgedrukte wensch, dat de Regeering ons daarmede zou bekend maken, inzonderheid ook met de gronden waarop zij dat belang voorstaat.

Ik heb hierbij ook van flauwheid niet anders gesproken, dan met opzicht tot de Regeeringen in het algemeen, van welke de beslissing der vraag vooral afhangt; en flauwheid is wel het zachtste woord, om niet te zeggen bekrompene baatzucht. De handelwijze dier Duitsche Gouvernementen, of liever hun niets-doen, hun vasthouden, heeft de partikulieren opgewekt en verplicht om de Regee-

Sluiten