Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ring voorbij te streven. En wanneer nu de Minister van Buitenlandsche Zaken zegt, dat onderzoekingen en bewijzen tegen de traktaten weinig zullen vermogen, dan neem ik de vrijheid van den Minister in gevoelen te eenen male te verschillen. In onzen tijd, wanneer blijkt, dat een beweerd recht op geen goeden grondslag steunt, dan moge liet ontstoken licht op zich zelf. op het oogenblik, nog niet voldoende zijn om zoodanig recht te doen verdwijnen, maar ook hier zal de spreuk, welke de Minister tot de zijne maakte, binnen kort kunnen worden toegepast; men zal geen weerstand kunnen bieden, en hetgeen als juist, als waar, als recht is erkend, zal doordringen.

29 November. Hoofdstuk v der staatsbegrooting (Binnenlandsche zaken). Algemeene beraadslaging.

De bedenkingen van den laatsten spreker (den heer Betz) ondersteun ik alleszins; ik wacht daaromtrent de verklaring van den Minister af.

Andere bedenkingen, die ik mocht hebben omtrent onderwerpen van bijzondere afdeelingen of artikelen, behoude ik mij voor ter spraak te brengen wanneer die onderdeelen aan de orde zullen zijn. Ik vermelde nu slechts diegene, die ik elders niet wel weet te plaatsen.

Daartoe behoort vooreerst eene kleine opmerking, welke de Minister mij niet kwalijk zal nemen, ten aanzien van hetgeen gezegd wordt op bladz. 1 van de Memorie van Beantwoording.

In het Voorloopig Verslag was het cijfer der begrootingen van Binnenlandsche Zaken voor 1850 en 1851 herinnerd. Het citaat is niet van mij: ik heb er geen gewag van gemaakt in mijne sectie; had ik het gedaan, ik zou een ander, een minder rond cijfer hebben genoemd. In het Voorloopig Verslag lees ik, dat het eindcijfer van het Vde hoofdstuk in 1850 en 1851 „nog beneden de 5 millioen bleef." Inderdaad bedroeg de vastgestelde begrooting voor 1850 omstreeks 4y2 millioen, en die voor 1851 eenige tonnen gouds daarboven. Nu antwoordt de ministeriëele memorie: „dat de primitieve cijfers der begrootingen voor 1850 en 1851, ten gevolge van latere verhoogingen, de 5 millioen ruim overtroffen." Ik ga voorbij, dat wij hier enkel met primitieve cijfers te doen hebben, wanneer wij vergelijken met het thans voorgestelde cijfer, dat later eveneens aan verhooging blootstaat. Hetgeen ik wil opmerken is dit, dat het aangehaalde zeggen der Memorie van Beantwoording nog op eene andere wijze aanleiding tot eene uiterst onjuiste voorstelling moet geven; alsof de begrootingen van 1850 en 1851 vijf millioen bedroegen, ongerekend de uitgaven welke

Sluiten