Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik, niet meer te zeggen om de noodzakelijkheid der herziening, die ik verlang, aan te toonen.

Een derde punt betreft de uitvoering van de kieswet, met name ,al1 het voorschrift, dat ook door den eersten spreker van dezen morgen (den heer Dirks), en vroeger bij de beraadslaging over diens toelating ter sprake is gebracht. Ik wensch namelijk den Minister waakzaamheid, zooveel mogelijk, aan te bevelen, dat de stembiiefjes, zooals de kieswet dit wil, van de zegels der gemeenten ■\oorzien zijn. Het is uit de beraadslaging, die ik zooeven noemde, gebleken, dat de wet tot dusver bier en daar niet altijd is nagekomen. Artikel 37 der kieswet schrijft voor — en het is onnoodig de reden op te geven — dat de stembriefjes de gemeentezegels van de hoofdplaats en van het onderkiesdistrict dragen. Dat voorschrift ziet op het Koninklijk besluit van 3 Januari 1818, hetwelk gebiedt, niet dat iedere gemeente een wapen, maar een zegel hebbe; een zegel waarop, met wapen ol niet, altijd, en om eene goedereden, de naam der gemeente moet uitgedrukt zijn. Bij gemis van die zegels zijn de stembriefjes, volgens artikel 61, van onwaarde. Na de jongste ondervinding kan, te dezen aanzien, een wenk voor den Minister niet overbodig worden geacht.

Nog eene andere waakzaamheid heb ik aan den Minister te verzoeken. Het betreft hetgeen, zooals men algemeen verhaald en beweerd heeft, en ter ooren van een ieder heeft kunnen komen, dezen zomer bij gelegenheid eener verkiezing in de hoofdstad is geschied. Men heeft algemeen beweerd, dat door een hoog ambtenaar, hier uit 's Gravenhage, men heeft zelfs gezegd een lid van het Kabinet, eenige dagen vóór de verkiezing geschreven was aan een hoofdambtenaar in de hoofdstad, dat de verkiezing van een toen genoemden candidaat, die een oud-soldaat was, aan het geeerbiedigd Hoofd van den Staat persoonlijk onaangenaam zou zijn. Men heeft gezegd dat dit schrijven door dien hoogen ambtenaar medegedeeld is aan een ander, en door dezen aan den kandidaat, en dat de brief, dien ik niet gelezen heb, door den kandidaat aan het bestuur eener kiezersvergadering geschreven om zich te verschoonen, de blijken van zoodanige tusschenkoinst draagt.

Ziedaar, Mijnheer de A oorzitter, hetgeen iedereen heeft kunnen hooien. Mij komt het voor, dat wij in een constitutioneel land wel mochten verwachten, dat een ambtenaar, wie ook, die zoodanigen brief, indien hij geschreven is, van wien ook ontving, dat schrijven comrne non uvenu ter zijde zou leggen.

Omtrent het schrijven van dien brief op zich zelf, zoo die geschreven is. heb ik tweeërlei opmerking, waarvan de Minister van Binnenlandsche Zaken de gegrondheid zal erkennen.

In de eerste plaats heeft men jegens den persoon des Konings een groot onrecht gepleegd. Men heeft aan den Koning ten laste

Sluiten