Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelegd, dat Hij zou willen tusschen beide komen in eene verkiezing en wel eene zekere benoeming zou willen beletten, omdat die aan Zijne Majesteit persoonlijk onaangenaam ware. Het laatste beweren zelf, Mijnheer de Voorzitter, zoo het gevoerd werd, is gebleken een groote leugen te zijn. Diezelfde oud-soldaat is toch eenige dagen later eervol ontslagen, met intrekking van een vroeger besluit, waarin dat „eervol" niet was vermeld. Die oud-soldaat heeft vervolgens, weinig later, eene aanstelling verkregen, die evenzeer bewees, dat de betichting, die men zich veroorloofd had, zoo onwaar als onwaardig was.

Ten andere denk ik ten aanzien van het schrijven van zulk een brief, zoo die geschreven is, dat niet licht iets gedaan kan worden, hetgeen de vrijheid der verkiezingen meer in staat is te belemmeren, dan wanneer men, zich niet eens vergenoegende te zeggen: „mij zou die keuze onaangenaam zijn," den persoon van het geeerbiedigd Hoofd van den Staat in de arena der verkiezingen meent te mogen betrekken.

De minister hield vol, clat de aangeboden begrooting niet met de primitieve begrooting van 1850 mocht worden vergeleken. Voor vergelijking moest men de begrooting van 1850 nemen, zooals die later was verhoogd.

Van eenige inmenging van liooger hand in de verkiezing te Amsterdam, was noch den minister noch ook aan „de regeering, als zoodanig" iets bekend.

Eene opmerking vooreerst over hetgeen de Minister zegt ten aanzien eener vergelijking van vroegere begrootingen met deze. Hetgeen ik van den Minister hoorde, heeft mij te leur gesteld. Ik meen ook nu nog te mogen blijven beweren dat men, vergelijkende, deze begrooting moet vergelijken met de vroegere, zoo als zij aanvankelijk vastgesteld zijn. Dat zoogenaamde bijbegrootingen één geheel uitmaken met de aanvankelijke voordracht of wet, is duidelijk; maar wanneer de Minister ons thans eene begrooting voorlegt, dan blijft het terrein voor bijbegrootingen nog open. Het is toch nog onbekend, welke verhoogingen wellicht later noodzakelijk zullen zijn. De eenige ware vergelijking is die tusschen primitieve begrootingen onderling. En in dit geval, wanneer van de begrootingen van 1850 en 1851 sprake is, mocht eene verhooging van het speciale fonds van het Haarlemmermeer niet eens worden genoemd tegenover eene begrooting voor 1861, waarvan men de uitgaaf ten behoeve der spoorwegen aftrekt.

Wat betreft het punt, hetgeen de Minister, op mijne interpellatie, in de laatste plaats heeft aangeroerd, zal ik slechts dit zeggen. Mijn doel was: van den Minister uit te lokken de meest stellige veroordeeling van zoodanige handelwijze, als ik heb geschetst.

Sluiten