Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3 December. Artikel 87. Bijdragen in de kosten van verbetering der scheepvaartkanalen in de provincie Groningen. De post, van f 100.000, was bedoeld als een eerste termijn van eene bijdrage van 12 ton.

Ik ben voorstander van dit werk en van het subsidie, van een aanzienlijk subsidie van Rijkswege daartoe te verleenen. Ik heb in der tijd de zaak op alle wijze, zooveel van mij afhing, aangemoedigd en ondersteund. Het was mij leed dat sedert het oogenblik, nu 4 of 5 jaren geleden, waarop daarvan voor het eerst in deze Vergadering meer of min sprake is geweest, een zoo nuttig plan het aanzien heeft gekregen van een politiek voertuig. Doch dit zal in mijn gezindheid en handeling hoegenaamd geene verandering brengen.

Ik sta niet stil bij de twee bedenkingen die men heeft geopperd: regeling bij afzonderlijke wet, en, in ieder geval, vooraf regeling van het recht op de Ommelander kas. Het schijnt mij natuurlijk dat een oud-Minister van Financien deze gelegenheid niet wil laten voorbijgaan om eene vraag, zoolang aanhangig en van zooveel gewicht, bij deze gelegenheid tot oplossing te brengen. Aan de andere zijde kan ik volstrekt niet vatten welke bezwaren bij de administratie of bij hen, die zich voor eigenaars der kas houden, tegen eene ruime bijdrage tot dat groote provinciale werk kunnen bestaan. Doch ik laat dit nu daar, om eene bedenking van anderen aard te onderwerpen.

Er wordt eene tonne gouds gevraagd: op welk tijdstip ? Ik verzoek dat de Vergadering zich herinnere, wat in het najaar van 1856 is voorgevallen bij gelegenheid van de discussie over een wets-ontwerp, waardoor een subsidie voor het kanaal van Assen naar Groningen op de begrooting van het Departement van Binnenlandsche Zaken zou worden gebracht. Ik was voorstander ook van dat werk en van dat subsidie; ik had zelf het eerste voorstel daartoe aan deze Vergadering gedaan; maar ik nam, toen het subsidie beschikbaar zou worden gesteld, de vrijheid te vragen, op welke hoogte het werk was. Het beginsel bij subsidie-verleening moet zijn, de inspanning der belanghebbenden aan te moedigen en te onderhouden: doch wanneer, alvorens zelfs een begin met het werk is gemaakt, de Rijkskas wordt aangesproken, gaat men dan niet tegen het natuurlijk beginsel in ?

Ik zal hetgeen ik toen bij de behandeling van het zoo even genoemde wets-ontwerp heb gezegd, niet herhalen, maar ik meen dat hetgeen toen gold, ook hier van toepassing is. Ik meen dus ook hier te moeten vragen: op welken voet zal het Rijk zijne bijdrage leveren? Is het uittrekken van eene tonne gouds op deze begrooting niet ontijdig? Staat men thans f 100 000 toe, dan zal men dit op de volgende begrootingen, tenzij geheel onvoorziene

Sluiten