Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omstandigheden tusschen beide treden, eveneens moeten doen. Doch nu reeds, voor dat een zóó uitgebreid en langdurig werk is aangevangen, en vervolgens, zonder dat voortzetting en voltooiing verzekerd zijn, subsidien te betalen, is de wezenlijke voorwaarde van dergelijke hulp voorbijzien. Evenals bij het kanaal van Assen naar Groningen, waar het slechts twee tonnen gouds gold, behoort ook hier uitkeering van rijkssubsidien afhankelijk te worden gemaakt van hetgeen door belanghebbenden vooraf zal zijn verricht.

Wij hebben te dezen aanzien zelfs geene enkele verzekering van den Minister ontvangen, en eene verzekering van den Minister zou mij niet genoeg wezen. Ondertusschen zal. het subsidie, thans op de begrooting gebracht, met den eersten Januari 1861 betaalbaar zijn, en men zal dus in Groningen kunnen beginnen te werken met Rijksgeld. Dat kan zeker onze meening niet zijn. De uitkeering moet aan bepaalde voorwaarden van begin van aanleg, van voortzetting en van voltooiing worden verbonden. Bij gemis daarvan ben ik verplicht dezen post af te stemmen.

4 December. Artikel 92. Aanleg van spoorwegen van staatswege.

Uitvoering van de spoorwegwet.

Ik zal niet spreken over deze of gene richting; ik zal niet achterwaarts maar liever vooruit zien.

Wij hebben nu, meen ik, met de regeering één plicht te vervullen.eene goede, krachtige, geregelde uitvoering van het werk zooveel mogelijk te verzekeren. Hetgeen wij tot dusverre zagen geeft die zekerheid niet. De Regeering heeft ons haar ontwerp van spoorwegwet voorgedragen — zooals toen bleek en thans nog duidelijker blijkt, — voorbereid door niets dan hetgeen onder een vorig Bestuur, met een ander doel, was geschied. En nu, zeven maanden na de indiening van het voorstel, het blijkt uit de mededeelingen der Regeering, zijn wij nog even ver. Derhalve het is onze plicht, gelijk het die der Regeering is, zooveel waarborg mogelijk te verkrijgen voor eene goede, krachtige, geregelde uitvoering. Waarin is die waarborg te zoeken ?

1. In de eerste plaats in eene begrooting. Wat eene begrooting van uitgaven voor den aanleg van spoorwegen betreft, stem ik met de Regeering in meer dan één opzicht overeen. De Regeering behandelt dat onderwerp op bladzz. 35 en 36 van de Memorie van Beantwoording. Zij zegt ons dat eene algemeene begrooting van het werk, over 8, 10 of meerjaren, niet wel zal kunnen worden gegeven. Ik geloof dat de Regeering gelijk heeft. Mijn gevoelen is dat, hetgeen op bladz. 36 dier memorie aangehaald wordt uit het Voorloopig Verslag: „Vele leden verklaarden zich voor afzonder-

Sluiten