Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ten einde den verderen geregelden voortgang van den aanleg der verschillende spoorweglijnen behoorlijk te verzekeren, bestaat het voornemen, onmiddellijk de stukken, door de wet op de onteigening gevorderd, van de eerste sectie van elke lijn in orde te brengen om daarvan het vereischte gebruik te kunnen maken; daarna zal dadelijk de opmeting van de volgende sectien plaats hebben; terwijl men inmiddels op de tot dusver gebruikelijke wijze den aankoop bij minnelijke schikking zal beproeven

Een aankoop dus vooraf, vóór dat het ontwerp der wet, die het algemeen nut verklaren moet, aan de Kamer zij voorgelegd. De onteigeningswet spreekt van minnelijke schikking eerst nadat een Koninklijk besluit de verschillende perceelen, die onteigend moeten worden, heeft aangewezen. Wat mij betreft, ik acht het hoegenaamd niet overeenkomstig met den geest of het stelsel dier wet, dat men dergelijke overeenkomsten vóór dat Koninklijk besluit trachte aan te gaan. Dat kan zonder nadeel en somtijds met voordeel gebeuren , wanneer het een werk van zeer kleinen omvang is en waarbij de uitvoering geene moeilijkheden oplevert. Maar bij den aanleg van een net van spoorwegen zal zulk eene handelwijze zoo min doeltreffend, als met de wet overeenkomstig zijn. Men zal dan het gevaar loopen dat hetgeen bij minnelijke overeenkomst verkregen is, geheel of gedeeltelijk doelloos zij verkregen. De tusschenkomst van de Staten-Generaal is noodig om met betrekking tot de perceelen, wier onteigening vereischt wordt, het algemeen nut van het werk en de noodzakelijkheid der onteigening te verklaren. Dat is het beginsel der Grondwet en der onteigeningswet. Voorafgaande aankoop zou vooruitloopen op de beslissing van den wetgever over de richting en de bezwaren der belanghebbenden. Indien de StatenGeneraal het voorstel niet goedkeuren, wie draagt de schade ?

Minnelijke schikking zal daarenboven bij een werk, als dit, over het algemeen veel meer kans van slagen hebben, nadat de perceelen, die onteigend zullen worden, bij Koninklijk besluit zijn aangewezen, dan te voren.

De Minister roept eene „tot dusverre gebruikelijke wijze" in, en het kan zijn, dat de zaak nu en dan zoo beleid zij; doch deze wijze van handelen rust geenszins op de wet, en de groote aangelegenheid, waarmede wij nu te doen hebben, zou daardoor worden benadeeld.

3. Eene derde vraag heb ik over de wijze van uitvoering, met betrekking tot aanbesteding. Ik wensch den Minister gelegenheid te geven daaromtrent de denkbeelden der Regeering te doen kennen. Ik zou verlangen, dat al het werk doorgaans werd aanbesteed, en in het publiek, bij zoodanige gedeelten als de Regeering dat in het meeste voordeel van het werk zal achten, bijv. de aanbesteding van aardewerken afzonderende van die van den bovenbouw,

Sluiten