Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog een woord zeggen. Drie millioen is geene vaststelling van het definitieve cijfer der begrooting; zij zijn slechts een gedeelte van het geheel, dat op die begrooting zal worden gebracht, zoodra de gronden behoorlijk zullen zijn verklaard. Dat, dunkt mij, is eene stilzwijgende voorwaarde der wet, waarop men zich beroept. Wanneer de wet van Augustus zegt: „er zullen minstens 10 millioen op de begrooting worden uitgetrokkendan wil dat zeggen: gij zult de bestemming van 10 millioen behoorlijk rechtvaardigen. Indien het slechts om eene som te doen is, waarom dan niet 30 millioen op eenmaal ? Waartoe dient dan over het algemeen eene begrooting ? De wet van Augustus kan niet willen, dat, wanneer wij een post op de begrooting inwilligen, dit geschiede zonder oordeel en zonder stellige wetenschap waartoe. Het amendement voegt zich in de stelling van den Minister, die ons zegt: „ik ben op dit oogenblik nog niet in staat om te motiveeren." Welnu, brengen wij dan voorloopig slechts een gedeelte op de begrooting, onder voorbehoud om dat aan te vullen, zoodra gij in staat zult zijn de bestemming van het geheele cijfer naar eisch aan te wijzen.

Wederom hield men het bevel der spoorwegwet voor, dat jaarlijks tien milloen op de begrooting zouden worden gebracht.

Bij de discussie over het laatste artikel van de wet van Augustus bleek over de beteekenis daarvan weifeling en verschil; maar één punt scheen boven twijfel, dat de Vertegenwoordiging door het voorschrift der 10 millioen niet kon worden gebonden. Wij zijn vrij. Tot geruststelling evenwel van sommige leden, die bezwaar schijnen te zien dat in deze begrootingswet minder dan tien millioen zou worden uitgetrokken, stel ik voor, achter de omschrijving van het artikel het woord voorloopig te voegen, en dus te lezen: „voorloopig drie millioen". Dan zal deze wet uitdrukkelijk bepalen, dat de som moet worden aangevuld, zoodra de Minister met de vereischte begrooting gereed zal zijn.

Moest, zoo vroeg de heer van Heiden Keinestein, de opvatting van den heer Th. dan niet meebrengen, dat het geheele artikel van de begrooting werd geschrapt?

De geachte spreker uit Assen (de heer van Heiden Reinestein) heeft aan mij, — ik wil niet zeggen een verwijt gericht, hij is daartoe te heusch — maar de vraag gedaan of het amendement in mijn stelsel wel konsekwent zij. Inderdaad, wat mij betreft, ik zou voor het oogenblik niets uittrekken. Doch de Minister zou dan kunnen meenen, in de voortzetting der werkzaamheden te worden belemmerd: de drie millioen zullen er slechts staan als een nader te regelen en aan te vullen cijfer; een cijfer, dat de Minister

Sluiten