Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de begrooting zooveel zal vermeerderen als hij voor het volgend dienstjaar gelooven zal te kunnen verantwoorden.

Nog eene enkele opmerking betrekkelijk artikel 5 van de wet van Augustus. Ik zeide dat, bij het verschil van gevoelen over de beteekenis van dat artikel, en welke ook de verbindtenis ware door dat artikel op de Regeering gelegd, één punt boven twijfel scheen, dat geene wet de Vertegenwoordiging eenigszins kon binden ten aanzien van de bepaling van het cijfer dat zij zou willen toestaan. Ik vind eene verrassende bevestiging daarvan in eene forrneele verklaring van de Regeering zelve. In het Verslag der Eerste Kamer over de wet van Augustus las men: „Vrij algemeen beschouwde men den inhoud van artikel 5 der wet in dien zin, dat men daarin wel een band voor de Regeering zag om bij aanwezigen voorraad van middelen het bepaalde bedrag op de Staatsbegrooting uit te trekken, maar geenszins eenen band voor de wetgevende macht, zelfs niet eenen zedclijken, daar deze zich zelve niet binden mag." En in het schriftelijk antwoord, geteekend door de Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financiën, lezen wij: „De Regeering heeft niets te voegen bij de uitlegging, welke, blijkens dat verslag, aan de meening van artikel 5 wordt gegeven."

Het amendement werd met 41 tegen 28 stemmen verworpen.

5 December. Algemeene beraadslaging over de zevende afdeeling (Onderwijs).

Ik wensch aan den Minister aanleiding te geven, zijn gevoelen aan de Vergadering te doen kennen over een onderwerp, dat ik bij de discussie over de begrooting van zijn Departement in een vorig jaar heb aanbevolen. Het betreft het voornemen van eene vereeniging .van partikulieren om in Twente eene industrieschool te stichten. De zaak is niet bij het voornemen gebleven; de partikulieren hebben met de daad getoond, dat zij voor dergelijke inrichtingen veel over hebben. De inrichting zelve is voorbereid. Intusschen, zooals ik de eer had bij de vorige gelegenheid te doen opmerken, bijdragen van partikulieren kunnen de duurzaamheid van zulk eene inrichting niet genoegzaam waarborgen. Ik heb dus van deze plaats aan den voorganger des Ministers de vraag gedaan of de Regeering geneigd zou zijn aan die inrichting een subsidie te verleenen. Aldus kon, vóór de invoeriiig van een algemeen middelbaar onderwijs, een voorbeeld van eene middelbare school zijn gevestigd met medewerking van het Gouvernement. De voorganger van den Minister heeft zijne hulp toegezegd, onvoorwaardelijk, zonder eenige beperking. Ik vraag, of de tegenwoordige Minister zich aan dat woord wil houden? Ik verklaar vooraf, aan

Sluiten