Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

recht zouden hebben om den burgemeester en de leden van den raad te benoemen. Gesteld, die voorwaarde kon toen zijn aangenomen, doch daarop volgt eene nieuwe orde van zaken, eene Grondwet, welke zoodanige voorwaarde niet meer toelaat. Wat nu?

]k zal er op dit oogenblik niets meer van zeggen. Ik wil alleen nog de redenen aanstippen, die mij toeschijnen den Minister te moeten bewegen om van het domaniaal collatierecht van den Staat af te zien.

Mij dunkt er zijn drie drijfveren, die eene bijzondere kracht moeten hebben op den Minister, ook wanneer hij minder genegen ware dan hij betuigt te zijn.

De bijzondere collator kan eene bijzondere betrekking hebben tot de gemeente, waar hij collatierecht bezit, eene betrekking die hem aan dat recht eene bijzondere waarde doet hechten. Zoodanige bijzondere betrekking heeft de Staat niet; de Staat is en moet zijn en blijven ten aanzien van alle kerkelijke gemeenten dezelfde; de Staat mag ten aanzien van eene gemeente geene andere betrekking hebben dan ten aanzien van alle andere.

Indien het blijkt, zooals ik meen te hebben aangetoond, dat het collatierecht een overgebleven stuk overheidsrecht is, kan dat in handen van den Staat nog voor uitoefening vatbaar schijnen ? Waartoe heeft het betrekking? Blijkbaar tot de aangelegenheden van het innerlijk zedelijk wezen der kerkelijke gemeente, tot het beleid der gemeenschap van leer en geloof. En nu is het toch denk ik, een van de klaarste, meest erkende, minst wankelbare gronden der tegenwoordige orde van zaken, dat geene overheid daarin iets te zeggen mag hebben.

Eindelijk, wat ook met andere collatierechten moge gebeuren, de Staat is bovenal verplicht om ieder zijn vol recht te laten wedervaren, en zoo ook, voor zooveel van hem afhangt, iedere kerkelijke gemeente te stellen in het geheel bezit van een harer eerste rechten.

De minister kende aan de conclusie van liet verslag eene zeer beperkte strekking toe: eene uitnoodiging aan de regeering, ,.de zaak der collatien bij voortduring in overweging te houden."

Ten einde dergelijke opvatting van de conclusie van het rapport , als de Minister zou wenschen aan te nemen, onmogelijk te maken, geef ik in de eerste plaats aan de leden onzer Commissie en in de tweede plaats aan de Vergadering in bedenking, die conclusie aan te vullen en te versterken. De Kamer verklare:

1°. zooals de Commissie voorstelt, „dat de in de missive van den Minister ontwikkelde gronden haar niet zijn voorgekomen de instandhouding van het collatierecht, voor zooveel het van wege den Staat wordt uitgeoefend, te rechtvaardigen"; en dan

Sluiten