Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2°. „dat de staat dit recht, strijdig met de grondwettige kerkelijke vrijheid, behoort te laten varen." Ik neem de vrijheid, die bijvoeging aan de commissie in overweging te geven; wellicht vindt zij goed haar over te nemen. Wij moeten eiken verkeerden uitleg van de meening der Vergadering bij den Minister voorkomen.

Wanneer en hoe aan het collatierecht een eind zou worden gemaakt, kon, meende de minister, thans niet worden beslist.

Tot. mijn leedwezen zie ik, dat ik verder van den Minister af ben dan ik meende na de lezing zijner memorie te zijn.

Thans zegt de Minister, dat het niet „geraden" is nu reeds het collatierecht op te heffen. Naar mijne overtuiging spreekt hier een plicht der Regeering, die veel hooger is dan alle overweging van „raadzaamheid" ; een plicht, waarbij eene grondwettige vrijheid betrokken is.

Hetgeen de Minister thans zegt komt neder op hetgeen ik in zijne Memorie van inlichting, na de betuiging zijner genegenheid tot opheffing, liever niet gelezen had, „wanneer door het bestuur, 't welk de Nederlandsche Hervormde Kerk vertegenwoordigt, maatregelen worden voorgedragen, welke billijk, nuttig en uitvoerbaar zullen worden geacht." Mij dunkt, de maatregelen, die het bestuur der Hervormde Kerk, krachtens zijne bevoegdheid, nemen zal, gaan de Regeering hoegenaamd niet aan. Het geldt hier een recht, ingrijpende in het beleid van de gemeenschap van leer en geloof, waarmede de Regeering niets hoegenaamd te doen heeft. Hetgeen de Minister aanduidt is eene soort van politiek, hierin bestaande, dat de Regeering. alvorens zij doe hetgeen de Grondwet zeer uitdrukkelijk wil, wachte op de maatregelen van het kerkbestuur, en dat het kerkbestuur wachte op de maatregelen der Regeering. Het gevolg van die politiek zal wel zijn, gelijk tot dusver, dat de vrijheid, waarop onze kerkelijke gemeenten aanspraak hebben, niet verkregen worde, en dat een band, die met de Grondwet strijdt, blijve drukken, alleen omdat een ander bestuur niet doet hetgeen het wellicht bevoegd is te doen, maar niet doet, omdat de Regeering een recht, dat zij inderdaad niet mag uitoefenen, niet laat varen.

Het amendement werd door de commissie overgenomen, en de conclusie met algemeene stemmen goedgekeurd.

11 December. Hoofdstuk IX B der staatsbegrooting (departement van financien) Algemeen beraadslaging. De minister van financien, de heer van Hal, was hoofd van het kabinet.

De twee vorige sprekers hebben het woord „vertrouwen" gebe-

Sluiten