Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zigd, en nu geloof ik aan de oprechtheid verplicht te zijn, met betrekking tot een beginsel, dat ik in deze Kamer meer dan eens heb voorgestaan, mijne meening en de redenen van mijne houding op dit oogenblik te doen kennen. Ik heb in deze Kamer meer dan eens het beginsel voorgestaan, dat men de begrooting ook van zijne politieke tegenstanders kon, en in de meeste gevallen moest aannemen, zoo niet in de begrooting zelve redenen tot afkeuring worden aangetroffen.

Ik heb mij in zooverre geschaard aan de zijde van hen, die vroeger wel in Engeland als leus voerden : measures. not men, de maatregelen, niet de personen', eene leus die, zoo ik mij wel herinner, aldaar gevoerd is in een part ij zieken tijd, laat ik liever zeggen, in een tijd van coterieziekte, waarin het hebbelijkheid geworden was geene maatregelen aan te nemen van een persoon tegen wien men eenige politieke antipathie gevoelde. Ik heb die leus gevoerd en mij daarnaar gedragen, waar het dezen of genen maatregel gold; doch wanneer het eene vraag wordt van politieke moraliteit, hoe dan? Eene vraag, Mijnheer de Voorzitter, die ten aanzien der vrienden mijner politiek, gelijk ten aanzien der tegenstanders kan voorkomen, en welke dan de andere — of men den maatregel op zich zeiven goed- dan afkeure — beheerscht.

Wanneer ik mij vinde tegenover eene politiek, die niet op de goede eigenschappen, maar op de zedelijke zwakheid en karakterloosheid der menschen bouwt,

eene politiek, die zich met alle elementen en stelsels, hoe ongelijksoortig, vereenigt, even bereid om dienares te zijn van reactie, als, wanneer de omstandigheden het medebrengen, of de berekening van een vermoedelijk succes het vordert, dienares van vooruitgang ,

eene politiek, die ik parasitische politiek zou willen noemen, omdat hij zich slingert om elk gezag, om elk incident, om elk belang, om eiken volksindruk, ten einde naar boven te komen, eene politiek zonder gestadigheid, zonder waarborg voor den dag van morgen, zonder moreelen invloed, maar van een zeer ruim geweten, van alles los behalve van den machtstitel, en die politiek heet te regeeren,

Mijnheer de Voorzitter, wanneer ik mij vinde tegenover zulk eene politiek, hetzij in mijn kamp, hetzij in dat mijner tegenstanders, die politiek stem ik af.

13 December. Hoofdstuk XI der staatsbeo-rootin^ (departement van koloniën). Algemeene beraadslaging.

Een paar woorden over eenige punten der Memorie van Beant-

Sluiten