Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in den regel met den toestand onbekend, en door geene genoegzame medewerking op Java ondersteund, teruggekeerd zijn na hetgeen te doen was meer te hebben verward dan te hebben opgebouwd. Een voorbeeld van iemand, dien ik wel heb gekend en hoog geschat, van den generaal-majoor von Gagern. Hoe is het met hem gegaan? Wanneer de Minister van Koloniën in zijn archief wil laten nazien, zal hij denkelijk als resultaat vinden, hetgeen door militaire deskundigen verzekerd wordt, dat de generaal von Gagern hier en daar in een stelsel, dat men ter uitvoering ontworpen had of reeds uitvoerde, wijzigingen heeft voorgesteld, die, ten deele aangenomen,of niet aangenomen, ten gevolge hebben gehad dat, over het algemeen, niet volgens één vast stelsel is voortgewerkt.

In § 3 wordt over het versterken van het Nederlandsch bestanddeel in het Indisch leger gehandeld. De zaak zelve laat ik daar, doch ik acht het plicht, Mijnheer de Voorzitter, van mijn kant nu reeds protest te doen hooren tegen het denkbeeld op bladz. 5 afgeleid uit art. 185 der Grondwet. „Art. 185 der Grondwet — wordt daar gezegd — vordert als voorwaarde van bestemming naar de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen alleen de toestemming der lotelingen zelven." Ik ben niet bevreesd dat een voorstel in dezen zin aannemelijk zal worden bevonden; en ik zeg reeds vooraf, dat ik er mij tot het laatst tegen zal verzetten. Niets zou meer strijdig zijn met onze erkende, diep gewortelde, beminde rechten, dan zulk eene miskenning van het ouderlijk gezag, en nooit kan het aangehaalde voorschrift der Grondwet zóó worden uitgelegd, dat het daartoe misbruikt worde.

Ten slotte nog twee punten: het tarief, waarvan de Minister gewaagt in § 10, en de pensioenen.

Het tarief. De Minister heeft het voornemen om dat te herzien. De noodzakelijkheid eener herziening is dikwijls betoogd; een onzer voormalige medeleden, afgevaardigde uit de hoofdstad, de heer Stolte, met de werking van het tarief zeer bekend, placht geene gelegenheid te laten voorbijgaan om op de nadeelen te wijzen en op hervorming aan te dringen. Doch het voornemen des Ministers herinnert mij ook een ander vertoog, dat van den voormaligen afgevaardigde uit Hoorn, tegenwoordig Minister van Financiën, in de zitting van 23 Februari 1859. „Het stelsel, zeide hij, onzer hooge rechten in de Oost, moet zooveel mogelijk onveranderd gehandhaafd blijven." — „Ik beschouw die rechten als eene zware belasting, die wij van den Javaan vorderen, die voor ons noodig is om de rechten onzer schatkist te stijven. Hoe hoog is die belasting, die de Javaan betalen zal voor het gebruik van katoenen goederen? Dat is eene belasting van nagenoeg 30 per cent, volgens eene berekening, ons bij eene vorige gelegenheid door den Minister van Koloniën zelven gegeven. Het recht is 12 per cent. De fac-

Sluiten