Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doelt art. 68 uitsluitend verbindtenissen, die, mijns inziens, daarin juist niet begrepen zijn.

De wet tot regeling der onteigening van 1851 schreef in artt. 65 tot 67 de wijze van handelen voor, te volgen wanneer ten behoeve van aanleg, herstel of onderhoud van dijken specie uit een grond moest worden weggenomen. Doch nu rees de vraag: hoe zal het gaan met de tot hiertoe bestaande verplichtingen om dergelijke specie te leveren? Die verplichtingen waren afkomstig uit drieërlei bron: öf uit gewoonte, öf uit verordening, of uit overeenkomst. Aan de laatste, verplichtingen uit overeenkomst, had de wetgever van 1851 geene reden hoegenaamd te denken; want of de overeenkomst had plaats gehad honderd en meer jaren geleden, dan of zij na uitvaardiging der wet wierd gesloten, het was te eenen male onverschillig. De burgelijke verbindtenis, daaruit gesproten, beheerschte altijd in dat bijzonder geval de wet van onteigening. Derhalve, wanneer de wetgever van 1851 het noodig keurde van verplichtingen, tot dusver bestaande, te gewagen, dan kon dit geene verplichtingen, dan door gewoonte of verordening gevestigd, betreffen.

Moest men het voortbestaan van dergelijke verplichtingen verzekeren? Deed men dat niet, dan zou in al die gevallen, waar nu krachtens die bestaande verplichtingen van een bepaald stuk grond de specie kon worden genomen, volgens de regelen van artt. 65 tot 67 moeten worden onteigend. De wet kwam in de plaats van het recht of de macht waardoor die verplichtingen voorheen waren gevestigd. De vraag was, zou men die reeds gevestigde verplichtingen handhaven? De wetgever besloot, terecht, geloof ik, tot handhaving. En daartoe alleen strekt art. 68.

Wij hebben meer dergelijke artikelen iri onze wetgeving. Ik noem slechts art. 281 der gemeentewet. Dat artikel verklaart het onderhoud van wegen, straten en andere gemeentewerken voor een gemeentelast; doch behoudt de bestaande wettige verplichtingen van anderen.

Wordt nu die beteekenis van art. 68 miskend, dan zal het wel noodig zijn tegen nieuw misverstand te waarborgen. Kan men dat doen op de wijze zooals de Minister vroeger of zooals hij nu laatstelijk heeft voorgesteld? Volgens zijn laatste voorstel zou achter het woord: „vergoeding" worden gevoegd: „uit welken hoofde ook".

Ik erken van het gevoelen te zijn van den vorigen spreker (den heer van Lynden), ten aanzien dier inlassching. Ook omdat „uit welken hoofde ook" mij juridisch te onbestemd toeschijnt. De geachte spreker, die zich met die inlassching niet kan vereenigen, stelt voor: vroeger heeft gerust. Is dit veel aannemelijker? De geachte spreker zegt: „Vroeger, beteekent: vóór de wet van 1851." Maar: heeft gerust? Beteekent deze bewoording, zooals toch zonder

Sluiten