Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij erkentelijk zal zijn wanneer ik niet volledig tracht te wezen en mij enkel tot de hoofdpunten bepale.

Het eerste hoofdpunt betreft hetgeen wij hebben, den tegenwoordigen toestand, en in het bijzonder hetgeen men de staande armée noemt, of, zooals de Grondwet het uitdrukt, de landmacht, de toereikende landmacht, aangeworven uit vrijwilligers.

Ik vraag: welke landmacht hebben wij? Ik heb in het Recueil Militair de Koninklijke besluiten van organisatie nagegaan, en tevens hetgeen bij de laatste begrootingen van Oorlog ons door den Minister van dat Departement is medegedeeld. Wat vinde ik? Ik zal de V ergadering niet vermoeien met cijfers, schoon ik ze uit die besluiten en mededeelingen alle heb opgemaakt. Ik zal mij bepalen tot het hoofdwapen, de infanterie, en zelfs ten aanzien daarvan slechts één cijfer noemen. Ik kan met het voorbeeld der intanterie volstaan ; want gewis zal de Minister van Oorlog mij toestemmen, en ik heb geene andere toestemming noodig, dat eene armée niet uit cavalerie en andere speciale wapens bestaat. Nu vind ik dat in den regel — het is de regel gebleven sedert de wet van 1818 — onze regimenten infanterie nauwelijks voor één derde uit vrijwilligers zijn samengesteld. Vrijwilligers, niet staande armée, is het woord dat in al die besluiten van organisatie en reorganisatie gebezigd wordt. Alleen bij het besluit van 3 December 1818, dat de Minister ons in de zitting van Zaterdag voorhield, vinden wij op eene tabel eene kolom met het opschrift „vrijwilligers die beschouwd worden tot de staande armée te behooren". Het zijn die, welke toen, tot aan dat besluit, als staande armée hadden gediend, en nu, volgens de wet en het besluit van 1818, ingedeeld werden bij de bataillons militie. Sedert dien tijd vind ik enkel vrijwilligers en lotelingen onderscheiden. Een regiment bestaat uit zóóveel vrijwilligers en zóóveel lotelingen. Nauwelijks voor één derde uit vrijwilligers; en dan is dat één derde nog het zoogenaamde compleet, het getal dat er volgens de organisatie zijn moet, maar in den regel niet aanwezig was noch is.

Zoo is het met de infanterie gelegen; en nu vraag ik verder, of er bij de landmacht in het algemeen, bij hetgeen men de staande armée noemt, een enkel corps bestaat, zóó compleet, dat het op zich zelf ter verdediging bruikbaar, of, volgens de definitie welke de Pruisische verordening van 1814, door den geachten spreker uit Delft (den heer Wintgens) aangehaald, van staande armée geeft, te allen tijde gereed zij ten strijde te trekken ? Wij hebben geen enkel corps, zoo ingericht, van staande armée. Wij hebben onder dien naam, gelijk uit de Koninklijke besluiten van formatie blijkt, vrijwilligers, die te zamen met lotelingen van de militie dienen, lotelingen, waarin bij de infanterie een groot twee'derde, en ook bij de andere wapens gemeenlijk het grootste deel der sterkte bestaat.

Sluiten