Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De geachte spreker uit Arnhem (de heer Mackay) vroeg gisteren: „ontneemt het amendement, door den spreker uit Deventer voorgesteld, aan het staande leger niet de vrijwilligers ? Worden zij niet gerangschikt, verdwijnen zij niet onder die, waarvan art. 180 der Grondwet gewaagt ?" Op mijne beurt vraag ik u: verlang ik iets anders dan hetgeen wij hebben ? Waartoe worden de vrijwilligers, die er zijn, bestemd? Zij worden bestemd, blijkens de besluiten van organisatie, om met lotelingen te dienen in één corps. Wordt in mijn amendement iets anders verlangd ? Of heb ik buiten dat amendement iets anders gezegd ?

Er zijn sommige vrijwilligers, niet bestemd om te dienen met de militie in één corps, er zijn er sommige die, in den regel later, eene andere bestemming verkrijgen: het zijn degenen die bestemd worden voor den kolonialen dienst. Die andere bestemming, welke ik geenszins uitsluit, is evenwel niet de bestemming, waaraan het Departement van Oorlog de voorkeur geeft. Integendeel, de Minister van Oorlog heeft, in de mededeelingen aan de Kamer, meermalen geklaagd over de zware verliezen, die het leger daardoor te lijden heeft.

Na dit alles herinnerd te hebben, Mijnheer de President, mag ik de vraag herhalen: Wat bestaat? Wat heb ik voorgesteld? Gisteren, bij het liooren van sommige tegenwerpingen, vroeg ik mij zeiven : heb ik soms voorgesteld het leger af te breken ? Doch nadenkende, vooral nu er sedert een nacht is voorbijgegaan, ben ik te dien aanzien volkomen gerust geworden.

Het tweede punt betreft de twee categorieen van vrijwilligers, die men beweert in de Grondwet te vinden. Ik verzoek nu in het bijzonder het geachte lid uit Arnhem (den heer Mackay), mijn antwoord met een streng oordeel te controleeren.

Er zijn twee categorieen van vrijwilligers, zegt men. Er is eene categorie van vrijwilligers, welke art. 178 bedoelt, en er is eene tweede categorie van vrijwilligers, waarvan art. 180 spreekt. Van de vrijwilligers van art. 180 heeft men ons niet veel kunnen zeggen. Het geachte lid uit Nijmegen (de heer Dommer van Poldersveldt) had verklaard: „die vrijwilligers hebben nooit bestaan en zullen nooit bestaan." De Minister van Oorlog heeft er na een nauwkeurig onderzoek drie bij het leger ontdekt; intusschen, hoe zeldzaam bij het leger, zij zijn, verzekerde ons de Minister, in de Grondwet. Aangenomen, er zijn er méér in de Grondwet, kunnen die tot verdediging van het land dienen ? Doch is zelfs het bestaan van die drie vrij willige rs-miliciens, gelijk men hen noemt, overeenkomstig met onze Grondwet van 1848 ? Door het geachte lid uit Arnhem, dat de bepalingen der Grondwet zoo gemoedelijk onderzocht en de verschillende artikelen tegen elkander gewogen heeft, verwacht ik niet te zullen worden tegengesproken, wanneer ik be-

Sluiten