Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weer dat die zoogenaamde vrijwilligers-miliciens berusten op de wet van 1817, en in zeker opzicht wel met de Grondwet van 1815, maar niet meer met die van 1848 overeen te brengen zijn. Ik verzoek op te mei ken, dat de Grondwet van 1848 een onderscheid maakt, hetgeen die van 1815 niet kent. De Grondwet van 1848 onderscheidt tusschen de militaire plichten van vrijwilligers en van lotelingen. Zij bepaalt eene grens uitsluitend voor de dienstplichten der lotelingen, niet voor die van de vrijwilligers, waaruit, volgens art. 180, de militie zooveel mogelijk moet worden samengesteld. Ik behoef slechts twee voorname bepalingen te herinneren. De lotelingen moeten na een vijfjarigen dienst worden ontslagen; en zij kunnen zonder hunne toestemming niet naar de koloniën gezonden worden. Onder de Grondwet van 1815 kon men oordeelen, dat hetgeen voor de lotelingen gold, eveneens voor de vrijwilligers, in de militie dienende, gelden moest.

Dus, de reden die onder de Grondwet van 1815 tot het aannemen van twee categorieen van vrijwilligers heeft geleid, bestaat onder de Grondwet van 1848 niet meer. Volgens de wet van 1817 stond de vrijwiller bij de militie in zeker opzicht gelijk met een plaatsvervanger. Hij had geen anderen dienst te vervullen dan de loteling. Volgens de tegenwoordige Grondwet kan de vrijwilliger, waarvan art. 180 spreekt, in geenen deele met een plaatsvervanger op gelijke lijn worden geplaatst, en onderscheidt hij zich niet van andere, ten gevolge van werving verbondene, vrijwilligers.

De geachte spreker uit Steenwijk (de heer Storm van 's Gravesande) acht, en die meening werd, geloof ik, beaamd door den Minister van Binnenlandsche Zaken, het onmogelijk van de militie een georganiseerd geheel te maken. Ik stem dit gaarne toe, indien gij onder de militie niets anders verstaat dan lotelingen, met toevoeging van zoodanige drie vrijwilligers als de Minister van Oorlog opgespoord heeft; maar de Grondwet wil dat de militie een militair lichaam zij, en de militie zal geen militair lichaam worden zonder vrijwilligers. Als voornamen grond, waarom mijns inziens de Grondwet gebiedt de militie zooveel mogelijk samen te stellen uit vrijwilligers, deed ik reeds gisteren gelden, dat het zonder dit hoofdbestanddeel onmogelijk is, de militie overeenkomstig hare bestemming in te richten en te gebruiken. Doch, verstaat men onder militie enkel een hoop lotelingen met een enkel vrijwilliger, die bij de militie volgens de wet van 1817 dienst genomen heeft, dan geef ik, zooals ik zeide, de redeneering van den geachten spreker uit Steenwijk wel toe, maar met de verklaring, dat dit niet is hetgeen de Grondwet van 1815 bedoelde en vooral niet hetgeen de Grondwet nu bedoelt, wanneer zij zegt dat de militie moet bestaan uit vrijwilligers, en eerst bij gebrek aan vrijwilligers, voltallig moet gemaakt worden uit degenen die bij loting daartoe worden aangewezen.

Sluiten