Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brengen? Waarom niet in de laatste maanden van het jaar, gelijk de begrooting, voorafgaande aan het jaar waarvoor de wet dienen moet ? Mij is geen voorbeeld bekend — en in de meeste constitu-

tioneele landen wordt jaarlijks zoodanige wet voorgedragen

dat die wet tot eenige vertraging of verwarring heeft aanleiding gegeven.

De geachte afgevaardigde uit Arnhem (de heer Mackay) vraagt: waarop zal bij die jaarlijksche wet worden gelet? Op de behoefte %an den dienst.' Ik geloof ja. kerst zal worden gevraagd wat wij hebben, en dan wat de Minister van Oorlog noodig acht om voltallig te maken hetgeen in het volgend jaar ontbreken zal.

Mij dunkt, wanneer eene jaarlijksche wet vereischt wordt voor de begrooting van uitgaven, dan mag men haar ook wel noodig achten voor het opleggen van zoodanige belasting als door de instelling der militie vooral in tijd van vrede op de natie wordt gelegd. \ andaar, dat zoodanige wet bijkans de droit commun, gemeen recht, is geworden.

De Minister van Oorlog heeft een bijzonder bezwaar tegen de jaarlijksche wet: zij zal teweeg brengen dat men jaarlijks op de zaak terugkome. Geschiedt dat dan niet, Mijnheer de Voorzitter, bij de begrooting? En de tijd, het overleg die besteed zullen worden aan de wet, welke ik vraag, die tijd en dat overleg zullen voor de begrooting worden gespaard. Hetgeen die wet bepalen zal ten aanzien van de mannen, dat wordt op de begrooting in geld uitgedrukt.

De Minister van Oorlog verbindt daaraan nog eene andere bedenking; vooral beducht voor eene legerorganisatie bij de wet, zegt de Minister: die jaarlijksche wet zal tot wettelijke legerorganisatie leiden.

Ik kan hoegenaamd niet inzien, waarom de jaarlijksche wet, die ik \raag, meer ot spoediger tot eene legerorganisatie zou leiden dan de jaarlijksche begrooting van het Departement van Oorlog. Maar ik geef een ander antwoord. Die jaarlijksche bepaling vinde plaats ot niet, vaststelling der legerorganisatie door de wet zal de Minister van Oorlog te minder ontkomen, wanneer dooi gaat hetgeen, dunkt mij, in de meening ligt van beide Ministers: de miliciens te beschouwen als een massa lotelingen; hen op te lossen in corpsen van de zoogenaamde staande armée. Dan zal toch de eisch vooral dringend worden, die op art. 189 der Grondwet, zeggende dat de inrichting der militie wordt geregeld door de wet, gegrond is. Die eisch zal te meer klemmen, en de wet zal tevens de zoogenaamde staande armée, waarin de militie opgelost zal zijn, bereiken.

Het amendement werd niet 42 tegen 23 stemmen verworpen.

Sluiten