Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen haar voorstel ingebracht. De Minister zegt nu, dat dit eene „aangename illusie is. Ik laat aan de leden der vergadering over, na dit gezegde van den Minister te beslissen, of niet inden zelfden geest het gemeen overleg eene „aangename illusie" behoort te worden genoemd. Zooveel is zeker, dat ik mij in mijn uitleg van de houding der Regeering bedrogen heb. En nu, na het gezegde van den Minister, moet ik mij voegen bij het veroordeelend vonnis, dat de geachte spreker uit Amersfoort (de heer van Goltstein) over die houding meende te moeten uitspreken.

11 Juli. Algemeene beraadslaging over het vierde hoofdstuk (van de lotelingen). De discussien waren 's vorigen daags afgebroken. Daarop had de regeering een drietal nieuwe artikelen voorgedragen, waarbij aan „belanghebbende" lotelingen de bevoegdheid werd toegekend, tegen eene loting die had plaats gehad bezwaren in te dienen. Bjj gebleken gegrondheid der te berde gebrachte bezwaren kon de loting worden vernietigd en eene nieuwe loting worden gelast.

Dit ontwerp is in de afdeelingen niet met die zorg onderzocht, welke meestal aan de wets-ontwerpen door ons wordt besteed, en welke dit wets-ontwerp zeker niet minder dan eenig ander verdiend had. De leden herinneren zich dat het onderzoek heeft plaats gehad op een tijdstip waarop men vermoedde dat het ontwerp zou worden ingetrokken. Vandaar dat men oppervlakkiger en haastiger was, dan men anders hoogst waarschijnlijk zou zijn geweest. De gevolgen zijn in het verslag merkbaar. Nu doen wij daarvoor boete. Dat dunkt mij is opnieuw duidelijk bij hetgeen over hoofdstuk IV voorviel. De Regeering, ten gevolge van sommige aanmerkingen gisteren gemaakt, heeft zich gehaast binnen zeer korten tijd drie nieuwe artikelen in dit hoofdstuk in te lasschen. Ik heb nog al bedenkingen tegen die artikelen, niet alleen tegen sommige bepalingen daarin vervat, maar tegen het beginsel zelf.

Tegen sommige bepalingen. Bij voorbeeld belanghebbenden, wie zijn dat? Dat is geenszins boven twijfel. Alleen dit schijnt mij duidelijk, dat belanghebbenden in die artikelen soms in een nauweren, soms in een ruimeren zin worden genomen. Voorts, zeggen die artikelen wel, dat eene loting zal kunnen worden vernietigd, maar op welke gronden, iets waarop alles aankomt, dit wordt hoegenaamd niet gezegd.

Bovenal heb ik bedenkingen tegen het beginsel. Mogen wij als beginsel aannemen, dat op eene loting kan worden teruggekomen? Ik ben in dit opzicht van het gevoelen van onzen wetgever, auteur der wetten waaronder wij nu nog leven: van den Franschen wetgever en van het Belgische voorstel van militie wet, die beide de loting als definitief aanmerken. De Fransche wet van 1832, du recrutement de 1'armée, zegt in de 3de alinea van art. 12: „L'opé-

25*

Sluiten