Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ration du tirage achevée sera définitive; elle ne pourra, sous aucun prétexte, être recommencée et chacun gardera le numéro, qu'il aura tiré." Dezelfde regel is met nagenoeg gelijke woorden overgenomen in de Belgische voordracht van 1853. Zooals men weet, is dat voorstel gezonden aan alle autoriteiten, hooge en lage, met de uitvoering van de militiewet belast; en men ziet uit de ingekomen rapporten, dat de regel: „op de loting kan niet worden teruggekomen," door. allen is erkend. En inderdaad, daarvoor bestaan goede redenen. Kan eene loting worden vernietigd, dan lokt men het plegen van deze of geene handeling uit, die eene vernietiging ten gevolge zou kunnen hebben. Daartegen moeten wij waken. Het belang om zoodanige handeling te plegen, waardoor eene verwarring gesticht wordt die tot vernietiging zou kunnen leiden, kan werken bij ambtenaren en bij particuliere belanghebbenden. Eischt ook niet de rechtvaardigheid, dat aan hem, die aan de wet voldeed, het lot dat hij trok, worde verzekerd? Mij dunkt ja. En waar is de grens, zoo men vernietiging toelaat ? Vandaar dat ik verlang in de wet het omgekeerde te lezen van hetgeen het Gouvernement ons nu in deze nieuwe artikelen heeft voorgedragen. Naar mijn inzien kon ook tot dusverre geen loting worden vernietigd. Dit kon niet geschieden, omdat de wet er geene vrijheid toe gaf. De wet nu moet, dunkt mij, ook voor het vervolg de vernietiging uitsluiten.

Er is eene tweede punt. De Minister van Binnenlandsche Zaken verdedigde gisteren de bijzondere kortheid van dit hoofdstuk met het zeggen : „reglementaire voorschriften behooren niet in de wet." Reglementaire voorschriften, vormen, behooren wel degelijk in de wet, wanneer zij zekere rechten moeten waarborgen, welke zonder die vormen niet behoorlijk gewaarborgd zijn. De omvang der Fransche wet van 1832 bedraagt nog niet een vierde van dit uitstekend omslachtig wets-ontwerp, het Belgische voorstel nog niet de helft, en evenwel zijn in beide nog meer formeele voorschriften opgenomen, dan ik thans in bedenking geven zal, in dit ontwerp in te lasschen.

Er zijn, meen ik, vooral twee waarborgen, die hier te pas komen. Vooreerst dat de orde van oproeping der ingeschrevenen bij het trekken hunner nummers bepaald worde. Op zich zelve is die orde onverschillig. Maar het is niet onverschillig voor den dunk van onpartijdigheid, of de orde door de wet geregeld, dan willekeurig zij.

Wanneer de militiecommissaris naar verkiezing den een of den ander uit de hoop oproept om hem te laten trekken, dan zal men daarin licht partijdigheid zien, en zal het publiek, het bij de zaak geïnteresseerde publiek, dat de trekking bijwoont, vragen: „wat zit daar achter?"

Een andere waarborg bestaat in de verzekering, dat het getal

Sluiten