Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nummers of loten, in de bus te doen, niet grooter noch kleiner zij dan het getal der ingeschrevenen. Dat moet door het publiek, bij de trekking tegenwoordig, kunnen worden gecontroleerd. Daarbij zou ik willen gevoegd zien, dat èn de vorm of het model van de bus èn de wijze van hare plaatsing wierden voorgeschreven door den Koning, opdat ook in dit opzicht geenerlei willekeur, geenerlei losheid — bij een dergelijke verrichting vooral te mijden — kunne plaats vinden.

Om het een en ander te bereiken, onderwerp ik aan de overweging der Vergadering: vooreerst achter art. 34 — ik zie geene reden, waarom art. 34 een afzonderlijk artikel is: het zou zeer goed met art. 33 kunnen vereenigd worden, maar ik neem het nu zooals het in het onderwerp staat — een nieuw artikel te voegen, van dezen inhoud: „De militiecommissaris telt in het openbaar zooveel nummers of loten voor, als het getal der ingeschrevenen bedraagt.

„Hij doet die nummers vervolgens in een bus, waarvan de vorm en de wijze van plaatsing door Ons worden voorgeschreven."

Daarna zou ik art. 35 aldus willen lezen: „De ingeschrevenen, in alphabetische orde op te roepen, trekken zeiven hunne nummers.

„Voor den ingeschrevene, die niet is opgekomen, kan", en verder, zooals de tweede en derde alinea's nu in het ontwerp luiden. Maar met bijvoeging eener vierde alinea:

„De uitkomsten der loting zijn onveranderlijk; aan een ieder blijft het nummer, dat door of voor hem is getrokken, verzekerd."

De voorgestelde verbeteringen werden grootendeels door de kamer aangenomen, of door de regeering overgenomen. Ten slotte bleef alleen het amendement gehandhaafd, waarbij „de uitkomsten der loting onveranderlijk" werden verklaard, en „aan ieder het nummer, dat door of voor hem was getrokken, verzekerd" werd.

Den Minister verzoek ik, de stelling of het stelsel te herdenken, welke die van het ontwerp en de zijne waren vóór de pauze in de vergadering van gisteren. Zij waren die van onze tegenwoordige wetgeving, zooals van die van Frankrijk en Belgie; landen waar men van dergelijke zaken gewis niet minder handeling heeft dan bij ons. Thans meent de Minister, en ook de geachte spreker uit de hoofdstad (de heer Heemskerk Az.): „er kunnen vergissingen zijn, en die moeten hersteld worden." Daartegenover staat, dunkt mij, tweeërlei bedenking. Ten eerste eëne vergissing kan nauwelijks anders dan door ambtenaren zijn gepleegd, en is die bij eenige oplettendheid, bij eene goede keus van menschen, bij controle van het belanghebbend publiek, zoo licht denkbaar? Doch stel, een ambtenaar hebbe zich vergist, mag de uitkomst worden vernietigd ten nadeele van hem, die een stellig recht uit de loting verkreeg?

Sluiten