Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Minister vindt de eerste opmerking, die ik mij over de troonrede en deze paragraaf van het concept-adres heb veroorloofd, betreffende de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, raadselachtig. Ik dacht dat de meening, hoe kort uitgedrukt, evenwel duidelijk genoeg was. Zij was en is deze. Wanneer een overzicht van den staat onzer buitenlandsche betrekkingen gegeven, en een oordeel over die mededeeling geuit wordt, dan schijnt het in de tegenwoordige omstandigheden vreemd dat men van de gebeurtenissen in Noord-Amerika zwijgt. Een der eerste rechten en belangen in betrekking tot een anderen Staat is het vrije verkeer niet diens gebied; en is het niet duidelijk, dat de burgeroorlog, die in de Vereenigde Staten is ontstaan, dat verkeer heeft belemmerd? Een beletsel, voor ons land waarlijk niet gewenscht. Daarop heb ik gedoeld.

Over de erkenning van den Koning van Italië zal ik niet veel zeggen. De Minister heeft ons rondgeleid in den doolhof van de overwegingen der Regeering vóór die erkenning. Hij heeft ons onderscheidene redenen opgegeven, welke tot die erkenning moesten leiden. Ik voor mij behoefde die wandeling en die redenen niet. Ik had niet de minste bedenking tegen de erkenning, omdat ik, zooveel ik de omstandigheden kon nagaan, geen grond zag om niet te erkennen, dat wil zeggen, om met den Koning en met een Koninkrijk van Italië de betrekkingen, den omgang, waarin wij waren vóór dat deze nieuwe Regeering de vorige Regeeringen verving, niet voort te zetten. En voor niet-erkenning moet, geloof ik, eene bepaalde reden wezen. Niet-erkenning toch is, zoo niet afbreking althans schorsing van het volkenrechtelijk verkeer. Ik had dus tegen de erkenning niets in te brengen.

De Minister daarentegen had — blijkens de overwegingen die hij ons mededeelde — in het erkennen een zwaar hoofd. Waarom? Zoo ik het zeggen mag aan mijnen ouden vriend, omdat hij in het erkennen meer zocht dan daarin lag of liggen kon. Bij zoodanige erkenning, als waarvan wij nu handelen, kan toch de reden niet zijn van krenking van rechten, noch van goedkeuring der middelen waardoor de nieuwe toestand is te weeg gebracht, noch van de gevolgtrekkingen die men wellicht later uit het bestaan van een Koninkrijk Italië zou kunnen afleiden. Noch het een, noch het ander komt, mijns inziens, bij zoodanige erkenning te pas. Erkenning als degene waarvan wij nu spreken, is niets anders — zoo komt het mij voor — dan erkenning van een bestaanden toestand van bezit. Men heeft een Koning van Italië erkend. Ik heb niet gevat, waarom de Minister in de andere Kamer gedrukt heeft op het verschil tusschen de erkenning van den Koning en van het Koninkrijk van Italië. Voor zooveel den vorm betreft, geschiedt eene erkenning, als waarvan nu sprake is. nooit anders, geloof ik,

Sluiten