Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan als erkenning van den Koning. Men vernieuwt de gelootsbrieven van den gezant, en die geloofsbrieven zijn aan het hoofd van den Staat in zijne nieuwe hoedanigheid gericht. \\ anneer men echter den koning erkent — en dat is volkomen juist, dunkt mij, opgemerkt door den rapporteur onzer commissie — dan erkent men het koninkrijk, dat is, de Regeering van dien Koning in alle landen aan zijne regeering werkelijk onderworpen, in alle deelen van Italië dus waar namens den Koning van Italië geregeerd wordt. Dat erkent men, niets meer en niets minder. Derhalve de erkenning was eene zeer natuurlijke en eenvoudige zaak, die geenszins aanleiding hehoefde te geven tot de bezwaren, waarover de Minister ons heeft onderhouden.

Het andere punt betreft de wijze van erkenning. Daarover heb ik mij geen oordeel veroorloofd, want ik ken ze niet. Ik zou ze eerst kunnen beoordeelen, wanneer mij het stuk of de stukken werden voorgelegd, waarin de wijze van erkenning wordt omschreven. Daarom is het — geheel in overeenstemming met de conclusie, waartoe zooeven het geachte lid der Commissie kwam — mijn verlangen, dat de Minister ons de circulaire, waarvan hij zooeven sprak, gelieve mede te deelen. Zijn er andere bescheiden, welke hij meent daarbij te kunnen voegen, ik zal die gaarne ontvangen voor het oogenblik evenwel vraag ik slechts de circulaire.

Die vraag doe ik ten einde volkomen licht te hebben over de zaak, en in het belang der Regeering. Alleen het stuk zelf zal — zoo het stuk van dien aard is — de verdenkingen ot opvattingen, hier en daar in het publiek geopperd en welke de Minister gemeend heeft te moeten tegenspreken, kunnen wederleggen.

Voor overlegging van de circulaire was de minister niet te vinden. In het algemeen, meende hij, moest tegen het overleggen van diplomatieke stukken bezwaar worden gemaakt.

Ik ben opgestaan tegelijk met het geachte lid der Commissie dat zooeven sprak, en ik zou nu, na hem, wellicht van het woord kunnen afzien, maar nu de Voorzitter het mij geeft, wil ik nog eene enkele opmerking maken.

Ik wil zeggen dat ik met zeer bijzonder leedwezen van den Minister van Buitenlandsche Zaken vernam, dat hij niet genegen is den open weg van publiciteit op te gaan, die evenwel de groote en algemeen bewandelde weg in zaken van diplomatie in de laatste jaren is geworden. Ik verlang het recht, dat deze Vergadering hebben kan om mededeeling van stukken te vragen, niet zoover uit te strekken als in Engeland geschiedt; maar ik wensch toch niet aan den Minister het recht toe te kennen, waarop hij aanspraak schijnt te maken, om ons elke mededeeling van diplomatieke stukken te weigeren. Indien de Minister zegt, dat eene bepaalde mededeeling,

Sluiten