Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 8. Nadat het eerste lid over de spoorwegen had gesproken, volgde in het tweede lid: „De verbetering onzer waterwegen, voor den handel eene behoefte, zal, hopen wij, mede tot stand kunnen worden gebracht.'-

Het belang, dat de Commissie in de 2de alinea van paragraaf 8 aanroert, moet ik in hooge mate aanbevelen, in algemeenen en in bijzonderen zin.

In algemeenen zin, in zoover niet genoeg, nu en in het vervolg, kan gezorgd worden, dat de spoorwegen met de waterwegen en de waterwegen met de spoorwegen in verband worden gebracht. Dit is allerwege, maar bovenal in ons land van groot gewicht, en de vruchten, die men van de spoorwegen tegemoet ziet, zullen inzonderheid van dat verband afhangen.

In bijzonderen zin, voor zoover onder waterwegen begrepen zijn die, welke hier dikwerf zijn ter sprake gebracht, de waterwegen naar zee van onze twee grootste koopsteden. Het heeft mij bevreemd dat de troonrede, die verleden jaar van die waterwegen gewag maakte, daarover nu zweeg; met meer genoegen zag ik in het financieel verslag, door den Minister van Financien gisteren aan de Kamer medegedeeld, dat men die twee groote belangen niet heeft vergeten. Ik acht ze de twee nuttigste werken die men thans voor ons land verlangen kan. Ik erken, dat bij den waterweg van de hoofdstad meer wordt gewaagd dan bij dien van Rotterdam; maar ik geloof, het belang is zoo groot, dat men zich niet mag laten afschrikken, om te doen wat mogelijk is.

Den Minister wensch ik gelegenheid te geven tot eene inlichting. De waterweg van de hoofdstad naar zee is sedert acht jaren in behandeling, zonder te vorderen. Nu is er, zoo het schijnt, sedert eenigen tijd eene wending gekomen in de gevoelens van personen en autoriteiten, wier meening in deze aangelegenheid gewicht heeft. Mij is verzekerd, dat eene nieuwe aanvraag van concessie, gegrond op de indijking van het IJ, reeds vijf maanden geleden bij de Regeering is ingediend, zonder dat men daarop nog eenig antwoord heeft erlangd. Met meer zekerheid meen ik te mogen zeggen, dat èn de Kamer van Koophandel èn de Raad van Amsterdam thans tot indijking overhellen. Denkt men nog aan eene verbetering van het Noord-Hollandsch kanaal, als kunnende wellicht in de plaats treden eener doorgraving van Holland? Ik vernam gaarne van den Minister wat hij ons èn over het eene èn over het andere weet te zeggen, inzonderheid of hetgeen met betrekking tot die doorgraving in den 'laatsten tijd is voorgevallen, op de plannen der Regeering van beslissenden invloed is geweest. Ik zie wel in het verslag van den Minister van Financien, dat de wet zal beslissen; maar wij hebben het ontwerp nog niet, en wanneer zal het komen? Intusschen, de belangstelling is groot, en hierbij ten

Sluiten