Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

af eene grootere moreele kracht, en moreele kracht van beslissing is, geloof ik, voor het Gouvernement, voor den goeden gang van zaken in het land van het uiterste gewicht.

Het denkbeeld dat ik behandel, is in ons laatste verslag geopperd. De Regeering heeft het tegengesproken, hoofdzakelijk op grond van den omslag en van de vertraging. Vertraging is een kwaad, en vertraging is verbonden aan het overleg met colleges, die niet hebben uit te voeren. Maar ik geloof toch dat in deze gevallen eene regeling denkbaar is, waarin de noodige waarborg kan worden verkregen zonder zoodanige vertraging:, als door de Ministers wordt gevreesd.

Ik vraag — en ik onderwerp die vraag aan de Ministers en aan de Vergadering — zou het niet geraden zijn, eene afdeeling van den Raad te laten adviseeren over de goedkeuring der verordeningen, die ik noemde? Ik bedoel de provinciale reglementen en de gemeenteverordeningen, belastingen betreffende. En zou het niet genoeg zijn, vernietiging van besluiten van provinciale autoriteiten of gemeentebesturen aan dezelfde afdeeling te onderwerpen ? Wanneer de afdeeling, die met het departement, waartoe de zaak behoort, in betrekking staat, hetzij over goedkeuring, hetzij over vernietiging advies geeft, belet dit geenszins, dat te gelijker tijd de ambtenaar bij datzelfde departement het onderzoek instelle, dat hem nu is opgedragen.

Alvorens een amendement voor te stellen, onderwerp ik de vraag aan de Ministers en aan de Vergadering, om in beide gevallen, tot goedkeuring en tot vernietiging, niet den geheelen Raad maar de afdeeling, die met het departement in betrekking staat, te raadplegen.

Verplichting in het leven te roepen, om over gemeentelijke belastingverordeningen den raad van state te hooren, kwam den minister niet noodzakelijk voor.

Ik ben nu wrel verplicht een amendement voor te stellen om daardoor aan de Regeering de gelegenheid te geven'hare bedenkingen nader te ontwikkelen of wel daarop terug te komen, wanneer zij zal gezien hebben hetgeen ik bedoel.

Het amendement van den heer Th. strekte om art. 22 te doen luiden:

„Aan provinciale reglementen en verordeningen, bedoeld bij artt. 138 en 140 der provinciale wet, en aan plaatselijke verordeningen, belastingen betreffende, wordt Onze goedkeuring niet verleend of onthouden, noch worden door Ons besluiten van Provinciale of Gedeputeerde Staten of van gemeentebesturen vernietigd, dan nadat de afdeeling van den Eaad, die met het ministerieel departement, welks hoofd voor de zaak verantwoordelijk is, in betrekking staat, daarover zij gehoord."

Nadere toelichting van het amendement.

Sluiten