Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afdeeling, welker samenstelling geregeld is in het 2de lid van art. 13, wordt belast inet het onderzoek der geschillen van bestuur of andere, aan Onze beslissing onderworpen, en draagt Ons de uitspraak voor.

Een beslissend rechterschap aan den raad van -state op te dragen, meende de minister, ging niet aan, zoolang de leden van den raad afzetbaar moesten blijven.

Ik had twee opmerkingen; na het hooren van den Minister laat ik het bij de tweede.

Ik zou niet zoo sterk, als de Minister, op den waarborg van onafhankelijkheid, dien onafzetbaarheid geeft, durven drukken. Ik zou meenen, dat onafhankelijkheid met afzetbaarheid wel vereenigbaar is. Maar ik moet toch opkomen tegen hetgeen de geachte voorlaatste spreker (de heer van der Linden) den Minister antwoordde. „De leden van den Raad van State, aan wie eene souvereine rechtsmacht zou zijn opgedragen, zijn afzetbaar ; derhalve volgens den Minister geen waarborg: doch de leden der afdeeling aan wie een adviseerend rechterschap is opgedragen, zijn eveneens afzetbaar; derhalve zegt de heer van der Linden, hebben wij evenmin waarborg in het eene als in het andere geval." Mij dunkt, de gevallen staan niet gelijk. Ik kan mij zeer wel voorstellen, dat het meest liberale Ministerie van de wereld door een souvereinen Raad van State, souverein rechter in geschillen van bestuur, gedwongen wierd de publieke zaak door afzetting van leden te redden ; maar bij een adviseerend rechterschap bestaat gelijke noodzakelijkheid niet.

31 October. Artikel 26: „De afdeelingen van den raad dienen de hoofden der ministerieele departementen, tot welke zij in betrekking staan, in zaken van bestuur en wetgeving, desverlangd, van voorlichting".

Ik wil aan de Ministers de vraag onderwerpen of zij, bij nader overleg, in dit artikel de woorden: tot welke zij in betrekking staan, willen behouden. Heeft dat een zin, dan heeft het, dunkt mij, dezen, dat ieder Minister enkel het advies kan vragen van die afdeeling, waarmede zijn departement in betrekking staat. Zou eene dergelijke beperking doeltreffend zijn ? Wanneer het aan het hoofd van een ministerieel departement wenschelijk toescheen, de voorlichting in te winnen van eene andere afdeeling van den Raad, zou dit door de wet moeten zijn belet?

Ik vraag dus, of het niet beter ware, dat die woorden: tot welke zij in betrekking staan, wegvielen, zoodat dan het artikel zou luiden : „De afdeelingen van den Raad dienen de hoofden der ministerieele

Sluiten