Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der beraadslaging mij verrast, zeer ernstige overweging verdient. Eene onjuiste, niet goed doordachte regeling zou belemmeringen kunnen scheppen, die niet dan door eene nieuwe wet uit den weg waren te ruimen. Voor het oogenblik vergenoeg ik mij, den Minister over twee opmerkingen te laten oordeelen.

Hetgeen in de drie eerste aline's van het artikel bepaald wordt, kan, meen ik. in ééne alinea worden samengevat. Is er wel een wezenlijk onderscheid tusschen hetgeen in het een en in de andere van de drie gevallen, welke de Minister stelt, gebeuren moet? Zoo, wat oproeping en termijnsbepaliug betreft, een en hetzelfde moet gebeuren in alle gevallen, waarin een geschil van bestuur aan de beslissing van den Koning wordt onderworpen, is hetgeen vereischt wordt, dunkt mij, eenvoudige uitdrukking van dien regel.

In de derde alinea aan het slot vinde ik den termijn, die bij het eerste lid bedoeld wordt, in dier voege bepaald, dat denoodige tijd tot beantwoording der memorie, door de meest gereede belanghebbenden ingediend, niet ontbreke. Zoo ik mij niet vergis, is dit een voorschrift, dat geenszins alleen mag worden beperkt tot het geval, waarvan die derde alinea spreekt. Het is een algemeen voorschrift, dat zou moeten volgen aan het slot der eerste alinea, waar van de macht van den vice-president om den termijn te bepalen wordt gehandeld. Wat de vice-president bij de bepaling van dien termijn in acht te nemen heeft, moet, geloof ik, uit de derde alinea in de eerste worden overgebracht, die, in mijn geest gesteld, alle gevallen zou omvatten.

Ik geef dit aan den Minister in bedenking en vraag verschooning, zoo ik op dit oogenblik niet gereed ben een amendement voor te stellen. Ik geloof dat een ander lid zich daarmee bezig houdt. In allen geval verneem ik gaarne reeds nu, hoe de Minister denkt.

Alleen in de gevallen, in het derde lid genoemd, meende de minister, was een contradictoir debat te verwachten. In de overige geschillen kwamen belanghebbenden op, die geen wederpartij tegenover zich hadden.

Na den Minister te hebben gehoord, verheug ik mij te meer aanleiding tot deze discussie te hebben gegeven.

Ik ben alleszins van de meening des Ministers, dat deze wet bij de regeling van dit onderwerp niet in bijzonderheden moet treden. Ik ben dat gevoelen zoo zeer toegedaan, dat reeds dit artikel mij van die fout niet vrij schijnt, en eene onderscheiding van gevallen te maken, die niet noodig is. Ik sta vereenvoudiging voor.

De Minister zegt, dat hij zich bij de eerste alinea zoodanige geschillen heeft voorgesteld, waarin geen contradictoir debat plaats vindt. Dan verschilt de intentie van den Minister hemelsbeerd van den indruk dien de lezing dier alinea mij geeft.

27*

Sluiten