Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit het beginsel van dien algemeenen maatregel van bestuur, was in de jaren, aan 1824 onmiddellijk voorafgaande, de Koninklijke regeling van de administratie der kerkelijke fondsen voortgevloeid. De behandeling van dat punt geeft mij te meer voldoening, omdat ik reeds 15 jaren geleden in een publiek geschrift oorlog tegen die reglementen heb gevoerd. Die reglementen, van 1819 tot 1823 uitgevaardigd, heeten provinciale reglementen; maar ik vraag of ze inderdaad iets anders zijn dan een algemeene maatregel van inwendig bestuur, waarvan de over het algemeen gelijke inhoud in sommige punten voor de verschillende provinciën gewijzigd is. In heb nooit een dier reglementen in zijn geheel onder de oogen gehad: de tekst, voor zooveel ik dien, bijv. uit het bijvoegsel tot het Staatsblad ken, heeft geen hoofd. Ik weet dus niet, of de Iiaad van State daarover gehoord is. Evenmin ken ik het considerans, of de gronden, die het besluit inroept. En ziedaar de eerste vraag, die ik aan den Minister richt: waarop zijn die reglementen gegrond?

In art. 195 van de Grondwet van 1815 lazen wij: „De Koning zorgt dat de toegestane penningen, die voor den openbaren godsdienst uit 's lands kas worden betaald, tot geene andere einden besteed worden, dan waartoe dezelve bestemd zijn." Zijn die reglementen daarop gegrond? Dat artikel was een overblijfsel van eene veel ruimer machtiging der Grondwet van 1814 in art. 139. Daarin werd gezegd, dat de Souvereine Vorst in het bijzonder het recht van inzage en beschikking had omtrent de inrichtingen van die gezindheden, welke eenige betaling of toelage uit 's land kas genoten. Een artikel, dat zelfs in dien tijd van lijdelijkheid, aanstonds bedenking wekte, zoodat de Souvereine Vorst zich tot eenige geruststelling genoopt vond. Bij besluit van den 16den Mei 1815, zonderling genoeg, uitleggende het artikel der Grondwet, beperkte de Vorst het „tot beschikkingen van een financieelen aard." Hiervan werd een deel in art. 195 der Grondwet van 1815, na 1840 art. 139, behouden.

Zijn de reglementen, die volgens den Minister herziening behoeven, op dat artikel gegrond? Moest ik het antwoord geven, Mijnheer de Voorzitter, dan zou ik zeggen, neen. Al die reglementen toch hebben niets te doen met zoodanig toezicht van Staatswege, als op het verstrekken van subsidien uit de schatkist aan kerkelijke gemeenten zou kunnen worden gevestigd.

Hetgeen de reglementen doen, bestaat uitsluitend in het voorschrijven van zoodanige instellingen en regelen van administratie der goederen als gerekend worden in het belang van het kerkgenootschap zelf te zijn. De Koning, die besluiten nemende, organiseerde niet eenig toezicht van Staatswege, op het belang of recht van den Staat gegrond; maar hij stelde eene Koninklijke regeling

Sluiten