Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

seerd van Staatswege, dan moet het één gelijk toezicht voor allen zijn. Ik roep de organisatie daarvan niet in; maar indien het er wezen moet — en eene uitdrukking van den Minister in de Memorie van Toelichting bij de begrooting van zijn hoofdstuk doet mij denken, dat het er volgens het gevoelen van den Minister wezen moet —■ dan un droit commun, jus commune.

Het eenig artikel van liet ontwerp schreef voor: ..Het recht van collatie, gelijk het van staatswege in sommige gemeenten der Xedorlandsche hervormde kerk tot dusver is uitgeoefend, wordt opgeheven.

„De daartoe betrekkelijke verordeningen worden ingetrokken."

Ik geef aan de Vergadering en in de eerste plaats aan den Minister eene wijziging van geen groot gewicht in bedenking; maar die, dunkt mij, in de richting ligt, waarin de Minister aan sommige opmerkingen van het Voorloopig Verslag wil tegemoet komen. Met dat doel stelt de Minister nu voor te lezen: „Het recht van collatie, gelijk het van staatswege in sommige gemeenten der Nederlandsche Hervormde Kerk tot dusver is uitgeoefend, wordt opgeheven". Het bezwaar is geopperd — niet door mij: — mogen wij, ook de partikuliere collatien in het oog houdend, bij de wet een recht van collatie erkennen? Zou het niet beter wezen de vraag: is collatie een recht, ja dan neen, in het midden te laten?

Dit zou worden bereikt, dunkt mij, indien men in de wet de uitdrukking bezigde, die wij zooeven van den Minister vernamen. De Minister, sprekende van de partikuliere collatierechten, zeide: „collatierechten, zooals men ze noemen wil." Zou men dus niet, overeenkomstig de bedoeling des Ministers, die zich, blijkens de Memorie van Beantwoording, met de aanmerkingen van het Verslag op den tekst van het ontwerp vereenigt, moeten lezen? „het zoogenaamde recht van collatie, van staatswege in sommige gemeenten der Nederlandsche Hervormde Kerk tot dusver uitgeoefend, wordt opgeheven.'' Niet: „gelijk het van staatswege is uitgeoefend," zooals de Minister voorstelt, omdat het artikel op de collatie, niet enkel op de wijze van uitoefening moet slaan.

Wierd die wijziging aangenomen, dan zou tevens het considerans moeten worden veranderd. Daar staat: „dat de voortdurende uitoefening van het collatierecht van wege den Staat niet is overeen te brengen met de grondwettige verhouding van Kerk en Staat". Voortdurende? tegenwoordig, gisteren reeds was die uitoefening niet overeen te brengen met de grondwettige verhouding van Kerk en Staat. Derhalve het woord voortdurende moet, dunkt mij, in allen gevalle wegblijven, en besluit men, allen schijn van onderstelling van een recht van collatie uit deze wet te verwijderen, dan zou het considerans kunnen luiden: „Alzoo Wij in overweging hebben

Sluiten