Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genomen dat de uitoefening van het zoogenaamde collatierecht van wege den Staat niet is overeen te brengen met de grondwettige verhouding van Kerk en Staat,"

Het amendement werd met 27 tegen 21 stemmen goedgekeurd.

7 November. Ontwerp van wet tot vaststelling der begrootingen van uitgaven voor den aanleg van taatsspoorwegen in de dienstjaren 1860 en 1861.

Toepassing van de onteigeningswet (vergelijk hiervóór blz. 356) De minister wilde zooveel mogelijk bij minnelijke schikking iu het bezit der noodige gronden zien te komen, alvorens tot toepassing der onteigeningswet over te gaan.

De principale verdediging der wet van 1851 tegen de handelwijze, welke de Minister voorstaat en die mij strijdig met de wet schijnt, laat ik over aan den geaehten algevaardigde nevens mij (den heer Olivier), die gisteren de discussie over dit onderwerp opende.

Ik vergenoeg mij met twee opmerkingen.

^ De Minister zoekt voor zijne handelwijze bescherming bij de Kamer, bij alle vorige Ministers van Binnenlandsche Zaken, ja bij de Memorie van Toelichting zelve, die het ontwerp van wet van 1851 vergezelde. In die Memorie staat de regel te lezen, zegt de Minister: eerst minnelijke overeenkomst en dan gedwongen onteigening. Ik neem al de stellingen van die Memorie nog voor mijne verantwoording, en zeg: De Minister verschuift den regel, dien hij uitroept, uit het stadium der wording van een publiek werk, waar die te huis behoort, naar een vroeger tijdperk, waaide wet dien niet kent. De vraag is niet, of, wanneer een werk van algemeen nut wordt voorbereid en de eigendommen zijn aangewezen die men noodig heeft, alsdan na aanwijzing van de eigendommen niet in de eerste plaats minnelijke overeenkomst moet worden beproefd. Op die vraag antwoordt de wet zelve; zij zegt het uitdrukkelijk. Maar de Minister stelt daarvoor het tijdstip, xv aai op ten aanzien van een bepaald werk nog geene verklaring van algemeen nut heeft plaats gehad, en dus ook het Koninklijk besluit, dat de te onteigenen perceelen moet aanwijzen, nog niet genomen is. Dit is mijne eerste opmerking.

De tweede. Uit het betoog van den Minister zou volgen, dat, wanneer vóór de wet tot verklaring van het algemeen nut en dus ook vóór het besluit van den Koning tot aanwijzing der perceelen, een deel der noodige gronden, stel */3, bij minnelijke overeenkomst ware verkregen, de wet en vervolgens het Koninklijk besluit enkel

Sluiten